De School voor Journalistiek in Utrecht bestaat 50 jaar. Boudewijn Geels blikt terug op zijn jaren op de linksige ‘journalistenmavo’. ‘Ik dacht: moeten al deze jongens en meisjes journalist worden?!’

Het voelde als een mokerslag: een onvoldoende voor mijn eerste toets. Zakken voor zoiets als statistiek had ik voor mezelf nog wel kunnen verantwoorden, maar dit betrof een toets ‘actualiteiten’. Terwijl ik kranten en tv-journaals vrát.

Ik weet nog precies wie de toets wel haalden. Die werkten straks dus voor de NRC. En ik, loser, mocht al blij zijn als ik die krant over vier jaar mocht róndbrengen.

Het is gelukkig toch nog redelijk goed gekomen. Maar ik dacht in 1991 wel: moeten al deze jongens en meisjes journalist worden?! Dat wordt dringen dan, op de arbeidsmarkt.

Tom Egbers meldde het 5 oktober in De Wereld Draait Door als ware het een zaak van nationaal belang: de School voor Journalistiek in Utrecht bestaat 50 jaar. Op 9 december is het grote feest. Featuring ongetwijfeld Egbers, Frénk van der Linden, Max Pam, Sierd de Vos, Sandra Schuurhof, Sven Kockelmann en vele anderen.

Tot mijn eigen ergernis noem ik nu vooral journalisten die bekend zijn van tv. Alsof dat de maatstaf is voor geslaagd zijn in dit prachtvak. Veel televisiemensen vinden zelf van wel, zei celeb-kenner Antoinnette Scheulderman in juli in dit blad. Nou, dat wordt dan op net iets te luide toon herinneringen met ze ophalen op 9 december.
Tegen jaargenoot Erik Mouthaan, de nu zo hyperzelfverzekerde Amerika-correspondent van RTL: ‘Ha die Erik, weet je nog dat je gedienstig doperwtjes afrekende achter de kassa van de Albert Heijn in Hoog Catharijne? Nee? Ik wel. Stond je goed man, die blauwe overjas!’

Toen al was Mouthaan volkomen op zijn plek in studio’s. We maakten samen een radioprogramma voor de Stadsomroep Utrecht. Terwijl ik mijn column voorlas, gaf regisseur Mouthaan over de koptelefoon een instructie aan de geluidstechnicus. De luisteraars hoorden het niet, de columnist wel. ‘Kut!’, riep ik live in de uitzending, ‘nu ben ik dus de draad kwijt!’ Erik trok slechts superieur-afkeurend een wenkbrauw op. Gelukkig luisterde er geen hond naar de Stads­omroep Utrecht.

De ontwikkeling van andere medestudenten heeft me echt verrast. Zo begon de kale reggae-adept Pim van Dijk een heuse beursnieuwsdienst. Voor persconferenties plakte hij ‘defect’-­stickertjes op de telefoons in de hal, zodat hij als eerste het nieuws kon doorbellen (er waren nog geen mobieltjes). In 2008 verkocht hij zijn Betten Financial News aan Dow Jones.

En neem Patrick van IJzendoorn, die consequent Patrick J. van IJzendoorn boven zijn geschriften zette. Hij droeg een paarse bontjas. Ook kon hij erg goed schaken. Van zijn journalistieke skills herinner ik me weinig, maar getuige zijn huidige bijdragen als Londen-correspondent van de Volkskrant moet hij toen al een groot talent zijn geweest. Patrick J. tikt in een middagje een doorwrochte analyse van de beleidsvoornemens van Theresa May, een sappige bio van een BBC-coryfee én een geloofwaardig verslag van Chelsea – Manchester United.

Heb ik ook mensen te hoog ingeschat? Ik twijfel over docent Gijs Schreuders, ex-hoofdredacteur van de communistische krant De Waarheid en oud-CPN-Kamerlid. Erudiete man. Uitstekend journalist ook. Maar wel erg stellig inzake wie er moreel deugde en wie niet – waar wij geëngageerde studenten journalistiek bijna vanzelfsprekend in mee gingen. Voor de balans had ik ook graag les gehad van een ‘rechtse Gijs Schreuders’, realiseerde ik me later.

Commercie werd eveneens al gauw vies gevonden. Zo klapten cultureel correcte studenten enthousiast toen bekend werd dat John de Mols sportzender Sport 7 werd opgedoekt.
In mijn eindscriptie betoogde ik dat postacademisch geschoolde journalisten beter toegerust zijn om bij een kwaliteitsmedium aan de slag te gaan dan HBO’ers, want gemiddeld genomen ouder en meer gewend aan werken met complexe materie. Maar die stellingname was ook een beetje een provocatie. Je hebt geweldige SvJ’ers en hopeloze postdoc’ers, en omgekeerd.

Zo denk ik met gemengde gevoelens terug aan de colleges van Jan Meeus. We hebben hem nog net niet weggepest, maar het scheelde niet veel. Op enig moment riep Meeus wanhopig: ‘Maar jongens, jullie willen toch wel iets léren?!’ Welnu, wij vonden dat we als vierdejaars wel uitgeleerd waren. De verstandige Meeus pakte al snel zijn pen weer op, en toen pas zagen we wat die man allemaal kon. Hij excelleerde bij achtereenvolgens Het Financieele Dagblad, de Volkskrant en NRC Handelsblad. Eat this, stelletje galbakken! Jan, sorry.

Met koket gezucht van oud-SvJ’ers dat ‘we er niks hebben geleerd’ omdat ‘het niveau zo laag was’ kan ik weinig. Ja, je moest het zélf doen, maar dat is altijd zo in het leven. En zonder opleiding geen stage. Als je daar niks aan overhield, was je stage mislukt. Althans, dat vond ik. Maar ik was dan ook een streber. Zij het wel een van de zeer velen die met dank aan de ‘tempobeurs’ (nomen non est omen) een jaartje langer over zijn studie deed.
En de kampioenen van die eerste actualiteitentoets? Jaren geleden kwam ik een van hen tegen op Utrecht CS. Inderdaad had hij bemoeienis met NRC Handelsblad. Hij verkocht hem, achter de kassa van de AKO.

Niveau lesstof: 6,5 (ook voor havisten prima te behappen)
Niveau docenten: 7 (van grasgroen tot oude ijzervreters)
Brede maatschappelijke blik: 5 (politiek correct links was de norm)
Fun-factor: 8,5 (journalistiek ‘studeren’ was ook gewoon léúk!)

De paniek slaat toe. In gedachten had ik deze boot al gekocht, maar voor 1500 euro móét er natuurlijk wel iets mis mee zijn. Dit dus!

(Column, gepubliceerd in de Waterkampioen, maart 2018)

Met bonzend hart rij ik vanuit mijn woonplaats Amsterdam naar De Kaag. Daar ligt een zeiljachtje dat aan al mijn wensen voldoet: een blauwe Corribee 21. Op internet staan een helebóél zeiljachtjes die aan al mijn wensen voldoen, maar daar willen de eigenaren geen 1500 euro, doch minimaal het dubbele voor beuren. En dus, zo besluit ik preventief, uit zelfbescherming, kan die Corribee niks wezen.
Als het toch niks is, is het niet erg dat ik mijn favoriete oom niet bij me heb. Oom is al vele jaren mijn baken in de strijd met vulgair dure watersportwinkeliers en gladde Marktplaatstypes. In de auto oefen ik mijn tekst: ‘Leuk bootje, maar veel achterstallig onderhoud, weet u zelf ook. Kan ik best fiksen hoor, tuurlijk! Maar ja, druk druk druk, u kent dat.’

Een half uur later roeit een goedgemutste Hagenees genaamd Erik me naar De Zeester. De boot ligt afgemeerd voor een boerderij in de Kaag-delta. Slim: de stadse aspirant-koper over het water aanvoeren. Ik ruik de vertrouwde, heerlijk muffe geur van het water, voel een zojuist doorgebroken winterzonnetje in mijn nek en hoor iets fladderends lustig fluiten. Potdomme, wat heeft deze kantoorknuppel met zijn balkon van één vierkante meter dit gemist. Ik voel: als het drijft, koop ik het.
En drijven doet het. Ik zie een echte boot. Met een mast. En een kajuit. En – heel belangrijk – een buitenboordmotor. Ik heb een buitenboordmotortic.
Dat komt door mijn moeilijke jeugd. Als kind mochten mijn broer en ik van onze ouders wel een boot, maar onder geen beding een vaartuig met een buitenboordmotor. Kwijlend van jaloezie keken we andere kinderen na vanuit ons piraatje. Mercury, Evinrude, Yamaha, Volvo Penta en Johnson, dat waren de Begeerlijke Vijf. Nog steeds teken ik uit mijn hoofd zo een Volvo Penta 5 pk uit 1982.
Achter de Corribee hangt een Johnson 6 pk. Uit 2008 en dus relatief nieuw – al heeft Johnson duidelijk wel op de kwaliteit van de plakletters bezuinigd. Ik constateer dat Erik de motor in drie keer weet te starten; prima score voor een boot van 1500 euro.

Op het Zweiland hijst Erik het grootzeil. Tegenvallertje: het betreft duidelijk de originele lap uit 1978. Vaal, rafelig, de bolling van een spinaker. Een zeilnummer hangt half los.
Maar dan de fok!
Een echte rolfok is het. Mijn vorige boten, een Splinter 22 en een Bucero 22, hadden die niet, en die jachtjes kostten me elk 3500 euro. Logisch, vond ik toen: voor zo’n bedrag kun je geen rolfok verwachten. Maar dat waren de jaren nul. Nu is alles anders, kennelijk.
Een rolfok is in mijn ogen nog steeds een statussymbool. Ik besluit de aanwezigheid ervan zo vaak mogelijk terloops te droppen in de vele gesprekken die ik over mijn nieuwe aanwinst zal gaan voeren. Op mijn werk bijvoorbeeld: ‘Ik was dit weekend op de boot. Ja, ik heb een boot. Je wilt hem zien? Nou vooruit, ik heb wel een fotootje, denk ik. Zie je? Met rolfok.’
Het voorzeiltje zelf is overigens niet veel soeps: een verweerd stormfokje. Maar het zeilt.

De Corribee kruist bij windkracht 3,5 vrolijk over de verder uitgestorven Kagerplassen en ik geniet. Maar nu wil ik zelf ook wel even zeilen. Ik pak het roer over en dan voel ik het. De helmstok trilt. En niet zo´n beetje ook. Ik kijk Erik strak aan: ´Wat is er loos met het roer?’ Erik kijkt met een neutrale blik terug. ‘Geen idee. Dit heeft-ie al sinds ik hem drie jaar geleden kocht. Ik ben er aan gewend. Het wordt niet erger en hij stuurt prima.’
Ik: ‘Wat zie je als je hem eruit haalt?’ Erik haalt zijn schouders op. ‘Weet ik niet. Hij ligt al drie jaar in het water.’
Hebben we hier dan toch een dealbreaker? De paniek slaat toe. In gedachten had ik deze boot al gekocht, maar voor 1500 euro móét er natuurlijk wel iets mis mee zijn. Dit dus. Ik probeer in te schatten wat de reparatie zal kosten. Zelf heb ik twee linkerhanden; het enige technische dat ik kan is piepers jassen.
Ik neem afscheid van Erik en zeg dat ik erover na zal denken. Erik weet ook dat dat meestal ‘nee’ betekent.

Maar stel nou dat hij morgen gaat proefvaren met iemand zónder schroevendraaierfobie? Of zelfs vanavond al? Ik denk aan de Johnson. En aan de rolfok. En dan stuurt een onzichtbare hand mijn auto resoluut in de berm.
Oom neemt niet op. Dit moet ik dus echt zelf doen. Ik stel me een trits kandidaat-kopers voor die elkaar schreeuwend overbieden. Morgen ben ik te laat, en dan heb ik spijt! Ik aarzel nog een minuutje en bel dan met klotsende oksels Eriks nummer. ‘Ha Erik. 1300 euro?’
Erik, onmiddellijk: ‘Deal!’
O jee, ik heb weer een boot…

Zo lang er programma’s Blauw Bloed en SBS Shownieuws bestaan, kan je weinig gebeuren, Máxima. Zij zijn het Hilversumse equivalent van de Hells Angels; roep iets kritisch over de Oranjes en je kunt een afrossing door een stel zware jongens verwachten.

door Boudewijn Geels

(Uit ‘De Máxima Generatie’, brievenboek (2011) van generatiegenoten aan Máxima – met Diederik Samsom, Robert Vuijsje, Sanne Wallis de Vries, Susan Smit, Ruud de Wild e.v.a.)

Beste Máxima,

Dat mijn blad een republiek prefereert, is zeker sinds de Margarita-affaire algemeen bekend. Je schoonmoeder is dan ook geen fan. Naar verluidt laat ze HP/De Tijd door haar RVD-lakeien zelfs in de map ‘roddelbladen’ aanleveren, hetgeen ik niet onvermakelijk vind.
Het leek me aardig om ter ere van jouw veertigste verjaardag nu eens een pró-monarchistisch opstel te schrijven. Maar helaas, toen ik dat probeerde, schoot mijn brein prompt in de vrijstand: veel geraas, maar ik kwam geen centimeter vooruit. Ik kan simpelweg geen goede argumenten bedenken vóór de monarchie, behalve dat deze me eens per jaar in de gelegenheid stelt om de bibliotheek van mijn dochter voor anderhalve euro in zijn geheel te vervangen.

Dat neemt niet weg dat ik op 2 februari 2002 goedkeurend knikte toen ik vanuit een morsige Indiase hotelkamer je huwelijksceremonie volgde via CNN. Ik ben cynisch van aard, maar die tranen leken me behoorlijk echt. Misschien plengde je ze vooral omdat je vader het feest moest missen, daar wil ik vanaf zijn. Een feit is dat ik me niet ergerde of geneerde. Iets wat ik wel altijd doe als ik, bijvoorbeeld, je schoonzus Laurentien Brinkhorst op zalvende toon haar alfabetiseringsprojecten hoor uitventen.

Blingbling
Als we het dubieuze verleden van je vader gemakshalve even vergeten, ben je de Volmaakte Prinses: mooi, intelligent en hartelijk. Zoals een vooraanstaand lid van het Republikeins Genootschap ooit verzuchtte: je bent het slechtste dat de republikeinse beweging kon overkomen.
Er is eigenlijk maar één moment geweest waarop ik me wél aan je ergerde. In 2005 vertoefde je in Brazilië, als lid van een VN-werkgroep inzake microkredieten. Op een ANP-foto zagen we je, mét een Laurentien-glimlach op het gelaat, de bouwval van een lokale visser betreden. De man keek verbijsterd de lens van de camera in. Niet geheel onbegrijpelijk, want de hoeveelheid blinkende snuisterijen die je zijn drempel overdroeg, was indrukwekkend.
Spoorslag reisde ik af naar de ook bij de Oranje-prinsessen razend populaire PC Hooftstraat. Bij brillenboutique Fred Stoeltie duidde men je zonnebril als een Chanel van zo’n 250 euro. “Maar het kan ook een Prada zijn.” Je tas herkenden de dames van achtereenvolgens Gucci en Ferragamo niet als zijnde van hun merken, maar het was ‘wel zoiets’. Naar hun inschatting moest het ding een slordige achthonderd euro hebben gekost.
Diep onder de indruk was ik toen een beroemd juweliershuis aan de PC Hooft – in deze context wilde de firma liever niet met naam en toenaam in HP – je horloge binnen twee seconden herkende als een ‘Rolex Oyster, special edition, junior size, van witgoud’. “Nieuwste model.” Prijs: 16.230 euro.
In een dergelijke setting zoveel peperdure blingbling dragen met journalisten erbij; op de schaal van ‘handig’ scoor je dan een magere drie-min.

Zware jongens
Maar ach, zo lang er programma’s Blauw Bloed en SBS Shownieuws bestaan, kan je weinig gebeuren. Zij zijn het Hilversumse equivalent van de Hells Angels; roep iets kritisch over de Oranjes en je kunt een afrossing door een stel zware jongens verwachten.
In 2009 maakte ik melding van nieuwe geheime documenten die de vraag oproepen of de allereerste ontmoeting tussen jou en Willem-Alexander inderdaad zo toevallig was als door jullie zelf en de RVD is beweerd. Prins Bernhard logeerde in 1943 tijdens een clandestiene trip naar Zuid-Amerika namelijk bij ene meneer Zorreguita. Ook na de oorlog vloog hij om de haverklap naar Argentinië. Misschien heeft aartsritselaar Bernhard zijn kleinzoon, die na een reeks affaires nog steeds vrouwloos door het leven ging, destijds wel een handje geholpen, schreef ik.
SBS Shownieuws kwam me een dag later interviewen. Nou, dat heb ik geweten. Het gesprek werd aan flarden geknipt en in de voice-over werd gesteld dat ik ‘zeker wist’ dat jouw huwelijk gearrangeerd was. Vervolgens mocht ene Cor de Horde, een als ‘royaltykenner’ aangeprezen patjepeeër met een drankneus, gehakt van me maken: hoe dúrfde ik te beweren dat er tussen jou en de kroonprins geen Ware Liefde in het spel was?

Onderdanig
Bij Blauw Bloed was ik eens op bezoek voor een reportage. Dat Jeroen Snel het maken van dit soort onderdanige televisie bevredigend vindt, allá, maar ook de deftige intellectueel Peter Brusse geeft regelmatig acte de presence, als commentator.
Tijdens het afschminken voer hij uit tegen de republikeinen. Bezwaren tegen erfopvolging? Allemaal ‘rationeel’ gedoe, bromde hij. Toen ik vroeg hoe je van een intelligent mens kunt verwachten dat hij írrationeel denkt, ontstak de ex-Engeland-correspondent in grote woede. “Dat vind ik een heel domme opmerking!”

Beste Máxima, mijn advies is: blijf een beetje oppassen op uitritten, maar doe verder gewoon waar je zin in hebt. Met bodyguards als De Horde en Brusse – zij representeren de meerderheid van het volk, niet ik – heb je van niemand iets te duchten.

Boudewijn Geels (1970) is chef redactie van HP/De Tijd

Geels deelt uit – Annechien Steenhuizen

(Gepubliceerd in Villamedia magazine, augustus 2014)

Ik heb een cabaretier – ik heb geen idee meer welke, iets op gympies – horen roepen dat Sacha de Boer voor hem prima ‘rukmateriaal’ was. Je kunt je op een of andere manier onmogelijk voorstellen dat iemand zoiets zal zeggen over haar opvolgster Annechien Steenhuizen.

Vraag een vrouw wat ze van Steenhuizen vindt en ze zal al snel, zo niet meteen, over haar looks beginnen. Vrouwen hebben namelijk de fascinerende eigenschap seksegenoten nóg sterker op hun uiterlijk te beoordelen dan mannen dat doen. Na de vaststelling dat het met die looks wel snor zit, zullen ze ongetwijfeld zeggen dat ze Steenhuizen een vakvrouw vinden.

Het opvallende is dat ik wel regelmatig vrouwen over Steenhuizen hoor praten, maar nooit mannen. Ze boeit kennelijk niet erg. Terwijl Steenhuizen toch een prestigieuze baan heeft. Sinds mei 2013 is ze presentator van het Acht Uur Journaal, en dat is, roepen wij van de media vaak, zo’n beetje het hoogste wat je kunt bereiken.

In mijn herinnering ging het in de krant, in de kroeg en bij de koffieautomaat vaak over Sacha de Boer. In mijn herinnering liet De Boer zich ook regelmatig interviewen. Maar volgens een oud-collega van haar ben ik abuis: ‘Sacha hield zulke verzoeken juist altijd erg af’.

Het kan gekomen zijn doordat het in interviews met RTL-anchor Rick Nieman ook altijd over zijn vrouw ging. Het kan ook zijn gekomen zijn doordat ze het simpelweg al zo lang deed, dat Acht Uur Journaal. Of was het toch vooral haar gezicht? Hoe dan ook: Sacha was een ster. Een ster met selling power.

Maar ik weet niet of het blad Jan veel extra exemplaren van het juninummer heeft verkocht doordat op de cover een interview met Annechien Steenhuizen werd angekeild.

‘Ik ben niet voor de poes’, luidde de coverline. Steenhuizen leek me een rustig, bedachtzaam type, dus ik wilde best lezen waarín ze dan ‘niet voor de poes’ is. Tussen de hypergestileerde en zwaar geshopte glam-foto’s (voor makers van zulke bladen vast hét middel om vrouwelijke BN’ers over de streep te trekken) ging ik op zoek naar het antwoord.

Ik las dat Steenhuizen vroeger wel eens met haar ouders botste, ‘maar nooit extreem’. Dat ze in het Utrechtse studentencafé de Zotte werkte, waar de mannelijke clientèle tot haar ongenoegen soms vroeg: ‘Goh, wat ben jij gespierd, sport je veel?’ Dat ze denkbeeldig het hoofd van haar ‘lieve oma’ in de camera stopte en het verhaal dan aan haar vertelde. En – daar hebben we het antwoord – dat ze in confrontaties met de ‘stoere aannemer Aaron’, haar levenspartner, ‘vrij gepassioneerd haar punt maakt’.

Dat laatste leek me een understatement. Dat nam me voor Steenhuizen in, want ik hou wel van understatements. Van een onderkoelde, subtiel-ironische, noem het ‘Britse’ stijl.

Dat is dus nadrukkelijk níet de stijl van Philip Freriks, die ook door zijn eigen collega’s vaak té werd gevonden (en zo je hele item kon verknallen). Nee, ik doel op de stijl van Herman van der Zandt.

Maar zover is Steenhuizen nog lang niet.

Van der Zandt (1974) is razend populair door zijn combinatie van volmaakte onverstoorbaarheid en spitsvondigheid. Gevoel voor humor heeft ook Steenhuizen (1977) heus wel, zeggen mensen die haar kennen, maar op tv merk je daar weinig van. Het mag af en toe best iets speelser, wat meer ad rem, vinden ze bij de NOS. Daar wordt Steenhuizen dan ook in getraind.

Verder valt er weinig op haar aan te merken. Ze heeft een goeie, lekker lage stem, raakt nooit van de wijs en – bij vrouwen is dat nóg belangrijker dan bij mannen, weet men in Hilversum – niemand ergert zich aan haar verschijning.

Steenhuizen straalt veel meer gezag uit dan, bijvoorbeeld, haar RTL-collega Merel Westrik (1979). Volgens mij was half Amsterdam (de mannelijke helft) verliefd op Westrik toen ze nog het AT5 Nieuws presenteerde. Maar omringd door snappy collega’s maakt zich al snel klein, zag ik vorig jaar op het Grote Interviewgala in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Het afkeurende geroezemoes was niet van de lucht toen ze ook nog eens een knaller van een taalfout maakte.

Bovendien, stellen insiders, heeft Westrik een handicap die ook de blonde NOS-nieuwslezeres Dionne Stax (1985) heeft: ze is eigenlijk te mooi om een gezaghebbende nieuwsanchor te kunnen zijn. Gevreesd moet worden dat een of andere cabaretier op gympies daar vroeg of laat een lollige opmerking over zal maken.

Steenhuizen – ze gaat binnenkort voor de tweede keer met zwangerschapsverlof – is niet te mooi. Ze heeft een knap gezicht (vind ik), en verder vind ik vrij weinig van haar verschijning. Maar ze is wel mijn type nieuwslezeres: professioneel, intelligent en onverstoorbaar.

Nu alleen nog dat toefje ‘Herman’.

Na een leven vol mooie maar brakke gemotoriseerde tweewielers ging de columnist het nu echt anders doen. Panne was voor de onnozelen die zich hadden laten belazeren. De Honda X11 van zijn vriend S. was gegarandeerd goed. Tenminste, had S. beweerd.

(gepubliceerd in ProMotor, april 2014)

Eerst is er de verbazing: hij doet het niet!

Nog eens. Ik laat de sleutel van mijn stoere Honda  X11 weer in het contactslot glijden. Ik hoor een hoog gejank, van wat naar ik aanneem de startmotor is. Maar hij pakt niet.

Ik vloek. Dit heb ik weer: sinds twee weken een andere motor, morgen moet ik er mee op vakantie, en nu kapt hij er opeens mee. En hij startte altijd meteen. Logisch voor een motor die altijd binnen heeft gestaan en met slechts 26.000 kilometer op de teller.

Mijn vriend S., van wie ik deze pitbull kocht, had er nooit problemen mee gehad. Zei hij.

Ik bel S.

Voicemail. Damn!

Opeens denk ik terug aan die andere tweewieler die ik, in 1986, via S. kocht: een rode Yamaha FS1. Ja, de verkoper – een vage kennis – was volkomen betrouwbaar, bezwoer S.

Nee dus.

Maar dat was een afgeragde brommer, dit is een voor mijn doen gloednieuwe topmotor.

‘Amigo, dit is géén FS1!’ had de zich terecht nog steeds schuldig voelende S. me verzekerd.

Neen, maar op dit moment gaat mijn X11 precies even hard: nul kilometer per uur.

Een uur later kijkt een besnorde Wegenwachter goedkeurend naar mijn nieuwe aanwinst. ‘Mooi ding hoor. Start hem eens?’

Ik draai de sleutel om. Weer dat hoge geluid. En weer pakt hij niet. De ANWB-man: ‘Hm, en gisteren deed hij het wel?’

‘Nou en of,’ antwoord ik, ongerust over de twijfel in zijn stem.

De man in het geel denkt diep na. ‘Doe je nu iets anders dan je gisteren deed?’

‘Nee hoor. Alleen gebruik ik nu mijn reservesleutel.’

‘Aha. Geef die sleutel eens?

Ik overhandig de sleutel

Mijn redder: ‘Is deze wel eens eerder gebruikt?’

‘Volgens mij niet. Hij zat nog in plastic. Hoezo?’

‘Dan is het logisch dat hij het niet doet. Hij moet eerst worden ingelezen.’

‘Ge-wat?! Hoe doe ik dat?’

‘Niet. Dat moet de dealer doen.’

‘Ik heb dus een reservesleutel die het niet doet?’

‘Klopt.’

Ik, verbluft: ‘What’s the point?!’

‘Zo doen fabrikanten dat nu eenmaal.’

‘De reservesleutel van mijn vorige motor, een Vmax, werkte gewoon.’

‘Ja, maar deze is wat meer sophisticated, zal ik maar zeggen.’

‘Zo sophisticated dat hij het niet doet?’

‘Eh, ja.’

‘En als ik mijn eerste sleutel nou in, bijvoorbeeld, de Alpen was kwijtgeraakt en ik nietsvermoedend mijn reservesleutel had gepakt?’

De Wegenwachter, grijnzend: ‘Dan had je behoorlijk op je neus gekeken.’

De volgende ochtend meld ik me aan de balie van de grote Amsterdamse motorzaak. ‘Mijn reservesleutel moet worden ingelezen, of zoiets. Zou je dat even via de computer willen regelen?’

‘Dat gaat niet via de computer. Dat moet een monteur doen.’

‘Hoezo? Het is toch gewoon een kwestie van de sleutel activeren?’

‘Inderdaad.’

De motorhandelaar en ik kijken elkaar secondenlang zwijgend aan.

‘Okee,’ zeg ik dan. ‘Hoe lang is de monteur daar mee bezig?’

‘Ik denk zo’n twintig minuten. Maar hij heeft er pas over een half uur tijd voor. Op z’n vroegst.’

‘Gaat niet. Ik moet zo op vakantie. Ik dacht dat het een kwestie was van het nummer invoeren in de computer en klaar is kees.’

‘Nee dus. Wacht, ik kijk even of de monteur nu tijd heeft.’

De monteur wordt gehaald. Hij kijkt naar mijn motor. ‘Dat red ik inderdaad niet in tien minuten, sorry.’

‘Wat kost er dan zoveel tijd?’ vraag ik ongelovig.

‘Ik moet echt in het systeem zijn.’ Hij wijst op het motorblok.

‘Wáát?! Je maakt een dure, “sophisticated” motor, en doet er een reservesleutel bij die pas werkt nadat je het hele motorblok hebt opengehaald? Dat is toch bizar?’

De verkoper en de monteur staren me onbewogen aan.
Dan, in koor: ‘Zo doen fabrikanten dat nu eenmaal!’

Eindelijk had ik iets gevonden om over zaniken: een paginagroot stuk over Zuidas-types die in hun vrije uurtjes de bokshandschoenen aantrekken. Dat is in een zaterdagkrant (7 mei) toch echt té niksig-frivool op pagina 3 als de wereld in de fik staat. Ik mag dat zeggen, want ik bokste acht jaar geleden al met een neuroloog en een filmregisseur.

Snerend wilde ik verwijzen naar dagblad De Pers, de wijlen gratis krant die ook uitblonk in lekker gekke keuzes op prominente plekken (‘Bijna niemand houdt van spruitjes. Onze 16-jarige redacteuren Kiki en Xavier leggen uit waarom dat onterecht is’).

Twee dagen later sprak ik een collega wiens mening over de media ik zeer serieus neem. Hij, enthousiast: ‘Weet je wat ik een leuk Volkskrant-artikel vond? Dat stuk over boksen! De week ervoor had ik net mijn eerste proefles genomen. Heeft de krant perfect aangevoeld, dat die sport hip aan het worden is.’

De Volkskrant is mijn krant. Ik lees hem sinds mijn twaalfde, liep er stage, kreeg ondanks belachelijk lang haar en een kolossale oorring een tijdelijk contract en vervolgens twee rubrieken in het economiekatern.

Later ging ik de krant lopen klieren. Althans, zo zag hoofdredacteur Pieter Broertjes dat. Voor mijn mediarubriek in HP/De Tijd speurde ik continu naar scoops als: wie wordt de nieuwe adjunct van de Volkskrant/NRC/Vrij Nederland? Wat buiten de grachtengordel natuurlijk niemand een lor kon schelen. Ook was ik tuk op ruzies en uitglijders.

NRC-hoofdredacteur Folkert Jensma gaf zelfs antwoord als hij op de ski’s stond in Italië. Broertjes niet. De gevoelsmens vond de speels-vileine stukjes te kwetsend, kwam de aap uiteindelijk uit de mouw.

Over zijn latere opvolger Philippe Remarque schreef ik nog wel dat zijn gezaag aan Broertjes’ stoelpoten steeds oorverdovender werd, maar toen hij diens kamer eenmaal had veroverd maakte ik de rubriek niet meer. Nu denk ik: zou ik Remarque even vaak in zijn kuiten hebben gehapt als Broertjes en Jensma? De plagiërende stagiair was eind vorig jaar zeker een stukje geweest. Je kunt ook té veel vertrouwen hebben in jongeren – Broertjes was daar voorzichtiger in. Maar verder?

Toen Remarque medio 2010 aantrad, had Broertjes het moeilijkste werk al verricht: hij had de krant goeddeels ontdaan van zijn intolerant-linkse, zurige odeur. Door mensen van Elsevier en Quote in te lijven bijvoorbeeld. De mastodonten Jan Tromp en Jan Blokker ontploften nadat óók nog Chris ‘Onze cultuur is de beste‘ Rutenfrans was gecontracteerd. In HP verscheen een groot artikel met de kop ‘Eerst rooms, toen rood, toen ruzie’. Onze conclusie: Broertjes had de Volkskrant veel pluriformer, bijdetijdser en leesbaarder gemaakt.

Wel stond de oplage sterk onder druk. Bureau McKinsey had al lang geconstateerd dat Nederland compactere dagbladen wilde, maar Broertjes hield halsstarrig vol dat je alleen op broadsheet een echte kwaliteitskrant kon maken. Daar dacht Persgroep-topman Christian Van Thillo, die de krant in 2009 overnam, genuanceerder over, dus die tabloid kwam er alsnog. De ambitieuze Remarque werd hoofdredacteur.

Een tabloid maken is een heel ander kunstje. De onderwerpkeuzen, het ritme, de presentatie, de vaak weekblad-achtige lengtes: Remarque en zijn chefs leggen de puzzel meestal zo dat ik denk: ja, nú wil ik inderdaad dít lezen. Als jouw keuze de enige logische lijkt – al hebben redactionele twisten hieromtrent de ruiten doen trillen – doe je iets goed.

Ook van de ‘moetjes’ probeert de redactie iets origineels te maken. De levenslust en het schrijfplezier spatten van elk stuk. Al blijft het oppassen met beeldspraak en vergelijkingen. ‘Hij is de PvdA onder de automobielen: de Mitsubishi Outlander. Eens ongekend populair, nu in ongenade gevallen.’

Verder nog iets? Ja, de vergaarbak ‘Sir Edmund’. Prachtige drukkwaliteit hoor. Verrukkelijk pretentieloze rubriekstitel ook: ‘Sylvia Witteman heeft iets gelezen’. Maar anders dan bij het Volkskrant Magazine snap ik nog steeds niet wat dat ding nou precies ís.

Van de economische verslaggeving val ik niet dagelijks van mijn stoel, maar dat roep je al snel als je zelf bij Het Financieele Dagblad werkt. Inzake kwesties van multiculturele aard lette de Volkskrant onder Broertjes al beter op dan de NRC. De krant durft ook echt stelling te nemen. Geen fopstrafjes meer; nee, écht aanpakken die bedreigers van Ebru Umar, betoogde chef van de parlementaire redactie Raoul Du Pré in een commentaar.

Over de ‘Voetnoten’ van Arnon Grunberg klaag ik niet. Die frutsels zijn in april al afdoende gefileerd door de jongens van De Snijtafel, puur op de inhoud (terugkijk-tip). En ach, Martin Sommer staat er ook in. En Arthur van Amerongen. En Elma Drayer. En Ross Douthat. Wel is het jammer dat Wouter Bos onlangs is gestopt als columnist. Ik heb een zwak voor niet-moraliserende linkse realo’s die niet op een enorm landgoed te Nunspeet wonen.

Dit zijn de zeurpagina’s in Villamedia, maar ik héb dus relatief weinig te zeuren.

O wacht, iets minder Songfestival graag. En in een intro las ik dit: ‘Deze Koningsdag gaat de geschiedenis in als de koudste ooit. Brrr…’

Brrr…?!

Jongens (m/v) van míjn Volkskrant, hier trek ik echt een grens. Het is verdomme het AD niet!

Talloze keren heb ik op feestjes ernstig staan knikken als ik mooie meisjes totale kolder hoorde debiteren. Zou dat ook Arie Boomsma te vaak overkomen zijn?

(gepubliceerd in Villamedia magazine, november 2014)

De grootste fan van Arie Boomsma is mijn 92-jarige tante Greet. Twee wijntjes per dag en een ondeugende geest houden haar jong. Wat Boomsma precies doet weet ze niet, maar daar gaat het haar ook niet om. ‘Die kin!’ zegt ze dan verrukt. En, nog verrukter: ‘Dat líjf!’

Kin en lijf zijn, zie ik ook als hetero heus wel, een attractie. Maar Boomsma kán ook dingen. Dat wil zeggen: bepaalde mensen vínden dat hij dingen kan, anders kwam hij niet zo vaak op tv. Maar wat kan Boomsma dan precies? En is het genoeg om zijn vele mediaoptredens te rechtvaardigen?

Ik had me dat nog nooit een seconde afgevraagd tot ik Boomsma op 20 augustus bij Knevel & Van den Brink hoorde verklaren dat ‘ISIS natuurlijk níets met de islam te maken heeft’. Hij zei het met de stelligheid van de vermaarde arabist. Helaas voor hem wenste de twittercommunity zijn autoriteit niet te erkennen. Ook ik spurtte naar mijn laptop om Arie eens fijn op zijn nummer te tikken. Immers, een club die beweert te doen wat ze doet uit naam van de islam, heeft op z’n minst íets met de islam te maken. Maar het hoefde niet meer; teveel anderen waren me voorgegaan.

Ik heb het fragment een paar keer teruggezien. Wat me vooral frappeert is Boomsma’s kennelijke veronderstelling dat wij, de kijkers, hem in dezen serieus zouden nemen.

Bij het schrijven van een column kan het handig zijn als je je onderwerp persoonlijk kent, of mensen kent die hem kennen. Maar helaas, ik ken zelfs niemand die wel eens een programma van Boomsma heeft uitgezeten. Wat hij doet, speelt zich, kortom, in een parallel universum af.

Wel las ik ooit dat Boomsma (40) conservatief is, een geestverwant van Thierry Baudet. Moet kunnen. De tijd dat we met z’n allen heel zeker wisten dat alleen linkse mensen het beste voorhebben met de wereld ligt gelukkig achter ons.

Op internet lees ik dat Boomsma de zoon van een Marker dominee is, hetgeen zijn conservatisme vast ten dele verklaart. Hij studeerde psychologie en communicatie in de VS en werkte enige tijd als fotomodel. Zijn tv-debuut maakte hij bij Veronica, in iets dat Uhh… vergeet je tandenborstel nietheette.
In 2006 ging hij aan de slag voor de EO. Vanaf dat moment werd het interessant.

Boomsma is een beroepschristen met een voorkeur voor licht-schurende programma’s die iets met seks van doen hebben. Voor de EO maakte hij 40 dagen zonder seks, voor de KRO juist Alle dagen seks (het omgekeerde zie je ook lastig voor je). De verpletterende urgentie van zulke formats is mij niet helemaal duidelijk, maar ik ben de doelgroep vast ook niet.

De christenhipster met de zachte stem is allerminst vies van een relletje. Zo schorste de EO hem na een fotoserie in een homoglossy van Linda. Dat laat hij trouwens graag met zich doen, fotograferen. In januari sierde zijn geprononceerde sixpack de cover van het maandblad Men’s Health.

Ook heerlijk: gefilmd worden. Filemon Wesselink mocht onlangs zondagochtend om negen uur mee naar de door de hunk bij voorkeur dagelijks gefrequenteerde sportschool. De kijker leerde dat behalve zijn armen ook Boomsma’s rug helemaal is volgekliederd.

Edoch, toegegeven, Boomsma is niet alléén maar looks. Hij presenteerde een tijdlang het live-discussieprogramma Debat op 2. Ik denk dan nog steeds met enige heimwee terug aan Cees Grimbergen, maar Boomsma was wel één en al betrokkenheid, stelde de juiste vragen en hield het hoofd koel. Sowieso valt in hem te prijzen dat hij de lat voor zichzelf zo hoog legt.

Over Uit de kast, waarvan de KRO alweer het vierde seizoen uitzendt, heb ik echter mijn twijfels. Is het nu echt nodig om nietsvermoedende ouders een bazooka met een lamp erop in hun gezicht te duwen als zoonlief hun vertelt dat hij niet voor kleinkinderen gaan zorgen? Zulke intieme momenten uit iemands leven horen niet op televisie, zei Antoinette Hertsenberg laatst terecht.

Maar homoseksualiteit is inmiddels wel Boomsma’s onderwerp. In elk geval veel meer dan de islam dat is. En dus blijft de vraag: waarom zei hij dat zo stellig over ISIS?

Talloze malen heb ik op feestjes ernstig staan knikken als ik mooie meisjes de grootst mogelijke kolder hoorde debiteren. Te vrezen valt dat die meisjes op zulke momenten echt dachten dat ze reuze verstandige dingen zeiden. Zou ook Boomsma dat te vaak overkomen zijn?

De afstraffing volgde in de allerlaatste uitzending van Knevel & Van den Brink, op 29 augustus. Gast Jeroen Pauw memoreerde dat ‘iemand hier aan tafel’ had gezegd dat ‘ISIS niets met de islam te maken heeft’, hetgeen Pauw een ‘vrij potsierlijke opmerking’ had gevonden. Knevel knikte instemmend: ‘Ik zal zijn naam niet noemen’.

Van je geloofsgenoten moet je het maar hebben.

(gepubliceerd in de generatiespecial van HP/De Tijd, juni 2013)

“Stagiaire Lisa, wil jij Frank Boeijen polsen voor de rubriek ‘Mijn eerste single’?”

Stilte.

“Jawel… Die is toch van… Doe maar?”

“Eh, nee. Maar hij is wel een generatiegenoot.”

“Hm. Noem eens een hit van hem?”

“Zwart-wit!”

Stilte.

“Denk niet wit, denk niet zwart…”

Stilte.

“Maar in de kleur van je hart…”

Nog een paar seconden is het stil. Dan vliegen Lisa’s vingers over het toetsenbord. En daar staat de Nijmeegse bard, op Wikipedia. Met foto.

Ik: “Weleens gezien?”

Lisa: “Hij komt me wel bekend voor…”

Jonkies die nog nooit van Talk Talk hebben gehoord. Of van Hans Janmaat. Of Wim Kieft. Op mijn laatste verjaardag besloot ik dat ik het simpelweg vertik om 42 te zijn, maar op zulke momenten ben ik het heel erg.

Ik ben van juli 1970. Volgens socioloog Henk Becker behoor ik aldus tot de ‘verloren generatie’(geboren tussen 1955 en 1970). Verloren, omdat de arbeidsmarkt zeer ongunstig zou zijn als we van school kwamen. Zelf stel ik vast dat ik eerder tot de ‘pragmatische generatie’ behoor (1971-1985), en niet alleen omdat dat jonger voelt. In de kille jaren tachtig, toen de werkloosheid net als nu tot alarmerende hoogten steeg, zat ik veilig op school. Daarna ging ik studeren. Door allerhande vertragingstactieken slaagde ik erin om pas in 1996 afgestudeerd te zijn. Toen was-ie inmiddels prima, die arbeidsmarkt.

Ik herinner me de jaren tachtig vooral als een decennium waarin potsierlijke hardrock werd gemaakt, over spijbelen niet al te moeilijk werd gedaan en je op je vijftiende gewoon de coffeeshop in mocht (daar zaten al die spijbelaars dus). Een vrolijke tijd? Nou nee, mijn herinneringen aan de jaren tachtig zijn allemaal in zwart-wit.

Toen kwamen de nineties. Feest! Op wie of wat Kurt Cobain nu precies zo boos was weet ik nog steeds niet, maar ik brulde enthousiast mee.

En iedereen maar stuiteren op de ecstacy. Waar je ook kwam, in het ‘alternatieve’ Tivoli, in de hippe Winkel van Sinkel, iedereen had dezelfde lodderogen. Maar we haalden wel gewoon onze tentamens. De wereld lag aan onze voeten. Wie het dan toch verknalde, was een loser.

Ik wist als twintiger ook heel zeker hoe de wereld in elkaar zat. Zo wist ik bijvoorbeeld zeker dat Frits Bolkestein een vuile racist was. Ik demonstreerde zelfs tegen de VVD-leider op de Dam. Jaren later dacht ik er net zo over als Frits. Toen de 24-jarige zangeres van mijn toenmalige bandje dat hoorde, beende ze woedend de oefenruimte uit. Die racist eruit of ik eruit, was haar boodschap (het werd zij eruit).

Hard feesten doen ze nog steeds, hoor ik van de twintigers van nu. Niet zozeer op ecstacy – dat maakt sloom en het is zóóó jaren negentig. Nee, gewoon op cocaïne. “Bijna iedereen doet het,” zegt Lisa, zelf een uitzondering op die regel.

Twintigers weten ook nog steeds precies hoe de wereld in elkaar zit en geven daar graag colleges aan 42-jarige hoofdredacteuren over. Wat ze echter niet weten is of ze net als wij toen ook allemaal redelijk aan de bak zullen komen.

Soms verbeeld ik me dat ik nog steeds een beetje bij ze hoor. Met boksen en aan de toog leg ik het – tot dusver – zelden tegen ze af. En ík zit óók op Twitter. 

Laatst vertelde ik zo’n über-zelfverzekerde twintiger stoer dat ik in 1995 nog heel even hoofdredacteur van JobNet ben geweest, ’s lands eerste vacaturesite. Ik verwachtte bewondering: zo hee, díe is cool! Helaas, ik oogstte vooral meewarige blikken: zo hee, díe is oud!

Het gat is veel groter dan ik vaak wil weten.

Toch heb ik meer met de generatie onder dan met de generatie boven me. Ze hebben het zwaar, die jonkies. En ook ik heb in mijn leven teveel babyboomers de zaken vooral goed voor zichzélf zien regelen.

Sorry babyboomers.

Er wordt weer gevoetbald op het zuidelijk halfrond. Dat doet deze columnist denken aan zijn motorvakantie ten tijde van het WK in Zuid-Afrika, in 2010. Een mooie tocht door Duitsland was het, vol fijne bochten en gemütliche Kneipen. En toen was daar de Deense Dog Daisy. 

(gepubliceerd in ProMotor, juni 2014)

´Kijk nou eens, hier aan de muur!
Mijn vriend E. komt kijken.
´Ik vind dit eerlijk gezegd knap luguber,´ zeg ik.
´Dit is zelfs héél luguber,´ zegt E., diep onder de indruk.
We staren naar een krantenbericht over een verongelukte motorrijder. Er staan helaas wel vaker berichten over dode motorrijders in de krant, maar dit bericht is in een sierlijst geplakt en aan de muur gehangen.
Aan een andere muur van de eetzaal van het motorhotel in Dollendorf zie ik nóg zo’n lijstje.
Ik zie dat E. hetzelfde denkt als ik: dit zullen toch geen klanten van dit Sauerlandse hotel zijn geweest?
We kijken elkaar aan. ‘Brrr!’

Achter ons horen we opeens getrippel. Ik draai me om. ‘Halló zeg!’ roep ik. Ook E. bromt: ‘Allemachtig!’
Op vijf centimeter afstand staat de grootste hond die ik ooit heb gezien. Of misschien moet ik zeggen: de hoogste. Met een enorme kop. Geen gemene, maar zeker ook geen vriendelijke.
‘No worries guys, ze doet niks,’ zegt de baas van het beest, tevens de eigenaar van de herberg bij de Nürburgring, terwijl hij op een stoel neerploft en een flesje bier opentrekt. ‘Dit is Daisy.’
Een hond met een zo truttige naam kan nooit gevaarlijk zijn, besluit ik, en ik geef het gevaarte een aai.
‘We hoorden haar al blaffen toen we de motoren parkeerden,’ zegt E. ‘Waaks beestje.’
De eigenaar, een Britse vijftiger, grijnst. ‘Klopt. Maar ze is poeslief.’

Enkele uren later zitten de eigenaar, E. en ik voor de tv. Elf Brazilianen tikken elf Nederlanders scheel. Brazilië scoort na tien minuten. Ik schud moedeloos het hoofd.
Kort na rust gebeurt het ongelooflijke: Wesley Sneijder scoort 1-1. Ik spring juichend op.
En dan gaat het fout.
Ik word met een ruk terug in mijn stoel getrokken en voel een doffe pijn in mijn rechterbovenarm. Een enorme hoektand van Daisy is volledig in mijn bicep verdwenen.
Ik staar Daisy verbluft aan, Daisy kijkt even verbluft terug. Dan laat ze los.
‘Jezus mina!’ roep ik. ‘Wat is dit?!’ Ik wijs op een randje geel spul dat een cirkeltje vormt rond de bloederige wond. Het lijkt op banketbakkersroom.
Mijn vriend werkt voor een gezondheidsblad en zegt rustig: ‘Dat lijkt me lichaamsvet.’
Onze gastheer heeft zijn hond naar de keuken gestuurd. ‘Sorry, dit doet ze anders nooit,’ klinkt het zwakjes. ‘Ze schrok toen je plotseling opsprong en juichte.’
Ik kijk hem vernietigend aan. ‘If your dog isn’t football-proof, don’t let it watch football!
‘Breng ons naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis,’ commandeert E. ‘Nu!’
‘Mijn collega zal het doen,’ mompelt de Brit. ‘Ik zal alle schade vergoeden.’

Op de autoradio hoor ik hoe Sneijder ook de 2-1 scoort. Mis ik verdomme nog een volksfeest ook.
In het ziekenhuis kijkt de arts, op wie ik drie kwartier continu zachtjes vloekend heb gewacht, maar liefst één minuut naar de wond. Hij dept hem enigszins schoon en smeert er een zalfje op. Daarna gaat er verband overheen.
Nein, antibiotica zijn niet nodig. Hoe lang geleden bent u ingeënt tegen tetanus?’
‘Geen idee. Dat kan ik thuis pas nakijken.’
‘U moet binnen 48 uur een prik als u niet ingeënt bent.’
‘Over twee dagen zijn we terug in Holland. Dat wil zeggen: als ik kan rijden. Kan ik rijden?’
De lapzwans haalt zijn schouders op. ‘Probeer het, zou ik zeggen.’

Ik bijt op mijn tanden en hou vol, op een mix van saridon, koffie en ’s avonds alcohol. Precies 48 uur na De Beet meld ik me met een kloppende, vuurrode wond bij het ziekenhuis in Amsterdam.
‘Wát?’ zegt de arts geschokt. ‘Heeft mijn Duitse collega je geen antibiotica gegeven?! Het is hartstikke ontstoken! Ik geef je pillen, maar daar kan het best eens te laat voor wezen, en dan moet je aan het infuus. Maar… ben je hiermee terug naar Amsterdam gereden?! Da’s knap.’

Vier jaar later staar ik naar mijn litteken en denk ik aan al die motorrijders die in motorherbergen overal ter wereld naar het WK kijken. Mijn dringende advies: zachtjes juichen als er een hond in de buurt is. Of veiligheidshalve je motorpak aanhouden.
Zit je naast een kolossale Deense Dog met een truttige naam? Doe het dan allebei!

Volgens veel Nederlandse economen is zijn presence Ewald Engelens grootste kwaliteit. Ze noemen hem een schreeuwlelijk en een beunhaas. Maar ieder debat heeft dwarse denkers nodig.

(gepubliceerd in Villamedia magazine, mei 2014)

Ooit studeerde hij journalistiek, nu is hij hoogleraar ‘financiële geografie’. Ik had daar ook nog nooit van gehoord toen ik Engelen in 2011 voor het eerst bij Pauw & Witteman zag. Maar ik dacht wel: wauw, deze eloquente scherpslijper weet hoe het zit!
En het zat duidelijk niet goed. Met het afwentelen van de gevolgen van de crisis op de burger. Met de enorme macht van de banklobby. Met de kennis van zaken van onze politici. Met het bord voor de kop van onze economen.
Toen ik hem begin vorig jaar voor het eerst interviewde, gaf Engelen ook de financiële journalistiek zijn vet: ‘Die heeft de afgelopen twintig jaar evenmin opgelet.’ Woorden die ik met instemming in mijn artikel zette. ‘Tuurlijk, koop gerust een huis’, had een collega die als huizenmarktexpert door het leven ging eind 2007 gezegd. Hij verwachtte geen prijsdaling. ‘Mensen zullen altijd moeten blijven wonen, nietwaar?’
Inderdaad. Minimaal tien jaar op dezelfde plek, wegens een virtuele restschuld van nu zestig mille.

Engelen zei ook van alles over de euro. ‘Een mislukt experiment. Stoppen ermee dus.’ Eerder had ik uit de mond van een andere dwarse denker, ex-NRC-journalist Paul Frentrop, opgetekend: ‘Als de euro mislukt is, waarom zouden we hem dan redden?’
Tsja.

Volgens de als reuze verstandig bekendstaande SER-baas Alexander Rinnooy Kan zou het zonder euro één grote puinhoop zou worden. Echter, diezelfde Rinnooy Kan zat tot 2006 onbekommerd zijn dikke bonussen te tellen als bestuurder van ING, terwijl het lagere personeel conform de instructies doende was de klanten ‘maximaal uit te nutten’, vertelde een ex-ING’er me een paar jaar geleden. ‘Uitnutten is een eufemisme voor uitmelken,’ zei hij erbij. Maar dat had ik al begrepen.
Ook interviewde ik topeconoom Lex Hoogduin. Hij verklaarde dat de euro goed is, want, zo legde hij uit, als de euro niet goed was geweest, hadden we hem niet genomen. Punt.
Ik had sterk het gevoel dat het maar goed is dat Hoogduin in 2011 geen baas van De Nederlandsche Bank is geworden.
Mijn toenmalige schoonvader, binnengelopen als hoge ambtenaar in Brussel, sneerde: ‘De eurolanden kunnen samen nog geen snoepwinkel runnen!’ En een toezichthouder van De Nederlandsche Bank bekende me op de camping dat hij geen flauw benul had of doorgaan met deze euro wel verstandig was. ‘Maar ja, dat zal geen DNB’er hardop zeggen.’

Ik werd steeds ongeruster. Lette ‘de journalistiek’ wel goed genoeg op? Nee, stelde Engelen. Hij wist hoe dat zat: elke euroscepticus werd door de ‘babbelende kaste’ automatisch in het Wilders-kamp geplaatst en hoefde dus niet serieus te worden genomen.
Mij leek een opsplitsing van de eurozone in een noordelijk en zuidelijk deel logisch, maar NRC-adjunct Marike Stellinga hield de Grieken er liever bij, en Marike was vroeger bij FEM/De Week– we waren toen collega’s – al de slimste van de club. Alleen, Marike was evenmin onfeilbaar gebleken. Begin 2008 schreef ze in Elsevier: ‘In Nederland is op de huizenmarkt niks aan de hand. Het is onwaarschijnlijk dat de huizenprijzen gaan dalen.’
En dus vertrouwde ik andere handelaren in ferme uitspraken over de euro niet meer dan ik Engelen vertrouwde. Hij had alles wat een andere hardcore euroscepticus, Arjo Klamer, niet had. De hoogleraar economie klaagde dat hij zo weinig op tv kwam en vermoedde vooringenomenheid jegens eurosceptici bij de P&W-redactie. Zou kunnen. Maar Klamer ontbeerde het James Bond-achtige voorkomen van Engelen en diens jaloersmakende vermogen om à ‘l improviste even prachtige als onverbiddelijke zinnen te construeren.

Onlangs interviewde ik Engelen opnieuw. Het begrotingstekort is gedaald, de economie trekt weer aan en er slapen nog steeds geen bijstandsmoeders onder de brug. Hij heeft dus iets uit te leggen. Pessimistisch is Engelen nog steeds, maar zijn scheldcolumn in Het Parool heeft hij begin dit jaar toch maar ingeleverd. Hij begon, vertelde hij, ‘een hekel aan zichzelf te krijgen’. De 51-jarige heeft nog drie podia over: De Groene Amsterdammer, De Correspondent en Follow the money. En Twitter natuurlijk. Huidige score: 27.000 tweets.

Bij Het Financieele Dagblad, waar ik tegenwoordig (parttime) werk, neemt niet iedereen Engelen even serieus. Dat heeft behalve met zijn exotische leerstoel met zijn niet altijd even realistische oplossingen – zoals bankbuffers van 15 procent – te maken.
Ik hoop echter dat de gesjeesde journalistiekstudent nog lang tekeer blijft gaan daar aan de zijlijn. Elk debat heeft immers dwarse denkers nodig.
Wat ik ook in Engelen waardeer: niemand maakt zich zo druk om de generatie huizenkopers die nu welbewust over de kling wordt gejaagd als hij. En dat terwijl zijn appartement in De Pijp allang hypotheekvrij is.