De School voor Journalistiek in Utrecht bestaat 50 jaar. Boudewijn Geels blikt terug op zijn jaren op de linksige ‘journalistenmavo’. ‘Ik dacht: moeten al deze jongens en meisjes journalist worden?!’

Het voelde als een mokerslag: een onvoldoende voor mijn eerste toets. Zakken voor zoiets als statistiek had ik voor mezelf nog wel kunnen verantwoorden, maar dit betrof een toets ‘actualiteiten’. Terwijl ik kranten en tv-journaals vrát.

Ik weet nog precies wie de toets wel haalden. Die werkten straks dus voor de NRC. En ik, loser, mocht al blij zijn als ik die krant over vier jaar mocht róndbrengen.

Het is gelukkig toch nog redelijk goed gekomen. Maar ik dacht in 1991 wel: moeten al deze jongens en meisjes journalist worden?! Dat wordt dringen dan, op de arbeidsmarkt.

Tom Egbers meldde het 5 oktober in De Wereld Draait Door als ware het een zaak van nationaal belang: de School voor Journalistiek in Utrecht bestaat 50 jaar. Op 9 december is het grote feest. Featuring ongetwijfeld Egbers, Frénk van der Linden, Max Pam, Sierd de Vos, Sandra Schuurhof, Sven Kockelmann en vele anderen.

Tot mijn eigen ergernis noem ik nu vooral journalisten die bekend zijn van tv. Alsof dat de maatstaf is voor geslaagd zijn in dit prachtvak. Veel televisiemensen vinden zelf van wel, zei celeb-kenner Antoinnette Scheulderman in juli in dit blad. Nou, dat wordt dan op net iets te luide toon herinneringen met ze ophalen op 9 december.
Tegen jaargenoot Erik Mouthaan, de nu zo hyperzelfverzekerde Amerika-correspondent van RTL: ‘Ha die Erik, weet je nog dat je gedienstig doperwtjes afrekende achter de kassa van de Albert Heijn in Hoog Catharijne? Nee? Ik wel. Stond je goed man, die blauwe overjas!’

Toen al was Mouthaan volkomen op zijn plek in studio’s. We maakten samen een radioprogramma voor de Stadsomroep Utrecht. Terwijl ik mijn column voorlas, gaf regisseur Mouthaan over de koptelefoon een instructie aan de geluidstechnicus. De luisteraars hoorden het niet, de columnist wel. ‘Kut!’, riep ik live in de uitzending, ‘nu ben ik dus de draad kwijt!’ Erik trok slechts superieur-afkeurend een wenkbrauw op. Gelukkig luisterde er geen hond naar de Stads­omroep Utrecht.

De ontwikkeling van andere medestudenten heeft me echt verrast. Zo begon de kale reggae-adept Pim van Dijk een heuse beursnieuwsdienst. Voor persconferenties plakte hij ‘defect’-­stickertjes op de telefoons in de hal, zodat hij als eerste het nieuws kon doorbellen (er waren nog geen mobieltjes). In 2008 verkocht hij zijn Betten Financial News aan Dow Jones.

En neem Patrick van IJzendoorn, die consequent Patrick J. van IJzendoorn boven zijn geschriften zette. Hij droeg een paarse bontjas. Ook kon hij erg goed schaken. Van zijn journalistieke skills herinner ik me weinig, maar getuige zijn huidige bijdragen als Londen-correspondent van de Volkskrant moet hij toen al een groot talent zijn geweest. Patrick J. tikt in een middagje een doorwrochte analyse van de beleidsvoornemens van Theresa May, een sappige bio van een BBC-coryfee én een geloofwaardig verslag van Chelsea – Manchester United.

Heb ik ook mensen te hoog ingeschat? Ik twijfel over docent Gijs Schreuders, ex-hoofdredacteur van de communistische krant De Waarheid en oud-CPN-Kamerlid. Erudiete man. Uitstekend journalist ook. Maar wel erg stellig inzake wie er moreel deugde en wie niet – waar wij geëngageerde studenten journalistiek bijna vanzelfsprekend in mee gingen. Voor de balans had ik ook graag les gehad van een ‘rechtse Gijs Schreuders’, realiseerde ik me later.

Commercie werd eveneens al gauw vies gevonden. Zo klapten cultureel correcte studenten enthousiast toen bekend werd dat John de Mols sportzender Sport 7 werd opgedoekt.
In mijn eindscriptie betoogde ik dat postacademisch geschoolde journalisten beter toegerust zijn om bij een kwaliteitsmedium aan de slag te gaan dan HBO’ers, want gemiddeld genomen ouder en meer gewend aan werken met complexe materie. Maar die stellingname was ook een beetje een provocatie. Je hebt geweldige SvJ’ers en hopeloze postdoc’ers, en omgekeerd.

Zo denk ik met gemengde gevoelens terug aan de colleges van Jan Meeus. We hebben hem nog net niet weggepest, maar het scheelde niet veel. Op enig moment riep Meeus wanhopig: ‘Maar jongens, jullie willen toch wel iets léren?!’ Welnu, wij vonden dat we als vierdejaars wel uitgeleerd waren. De verstandige Meeus pakte al snel zijn pen weer op, en toen pas zagen we wat die man allemaal kon. Hij excelleerde bij achtereenvolgens Het Financieele Dagblad, de Volkskrant en NRC Handelsblad. Eat this, stelletje galbakken! Jan, sorry.

Met koket gezucht van oud-SvJ’ers dat ‘we er niks hebben geleerd’ omdat ‘het niveau zo laag was’ kan ik weinig. Ja, je moest het zélf doen, maar dat is altijd zo in het leven. En zonder opleiding geen stage. Als je daar niks aan overhield, was je stage mislukt. Althans, dat vond ik. Maar ik was dan ook een streber. Zij het wel een van de zeer velen die met dank aan de ‘tempobeurs’ (nomen non est omen) een jaartje langer over zijn studie deed.
En de kampioenen van die eerste actualiteitentoets? Jaren geleden kwam ik een van hen tegen op Utrecht CS. Inderdaad had hij bemoeienis met NRC Handelsblad. Hij verkocht hem, achter de kassa van de AKO.

Niveau lesstof: 6,5 (ook voor havisten prima te behappen)
Niveau docenten: 7 (van grasgroen tot oude ijzervreters)
Brede maatschappelijke blik: 5 (politiek correct links was de norm)
Fun-factor: 8,5 (journalistiek ‘studeren’ was ook gewoon léúk!)

Geels deelt uit – Annechien Steenhuizen

(Gepubliceerd in Villamedia magazine, augustus 2014)

Ik heb een cabaretier – ik heb geen idee meer welke, iets op gympies – horen roepen dat Sacha de Boer voor hem prima ‘rukmateriaal’ was. Je kunt je op een of andere manier onmogelijk voorstellen dat iemand zoiets zal zeggen over haar opvolgster Annechien Steenhuizen.

Vraag een vrouw wat ze van Steenhuizen vindt en ze zal al snel, zo niet meteen, over haar looks beginnen. Vrouwen hebben namelijk de fascinerende eigenschap seksegenoten nóg sterker op hun uiterlijk te beoordelen dan mannen dat doen. Na de vaststelling dat het met die looks wel snor zit, zullen ze ongetwijfeld zeggen dat ze Steenhuizen een vakvrouw vinden.

Het opvallende is dat ik wel regelmatig vrouwen over Steenhuizen hoor praten, maar nooit mannen. Ze boeit kennelijk niet erg. Terwijl Steenhuizen toch een prestigieuze baan heeft. Sinds mei 2013 is ze presentator van het Acht Uur Journaal, en dat is, roepen wij van de media vaak, zo’n beetje het hoogste wat je kunt bereiken.

In mijn herinnering ging het in de krant, in de kroeg en bij de koffieautomaat vaak over Sacha de Boer. In mijn herinnering liet De Boer zich ook regelmatig interviewen. Maar volgens een oud-collega van haar ben ik abuis: ‘Sacha hield zulke verzoeken juist altijd erg af’.

Het kan gekomen zijn doordat het in interviews met RTL-anchor Rick Nieman ook altijd over zijn vrouw ging. Het kan ook zijn gekomen zijn doordat ze het simpelweg al zo lang deed, dat Acht Uur Journaal. Of was het toch vooral haar gezicht? Hoe dan ook: Sacha was een ster. Een ster met selling power.

Maar ik weet niet of het blad Jan veel extra exemplaren van het juninummer heeft verkocht doordat op de cover een interview met Annechien Steenhuizen werd angekeild.

‘Ik ben niet voor de poes’, luidde de coverline. Steenhuizen leek me een rustig, bedachtzaam type, dus ik wilde best lezen waarín ze dan ‘niet voor de poes’ is. Tussen de hypergestileerde en zwaar geshopte glam-foto’s (voor makers van zulke bladen vast hét middel om vrouwelijke BN’ers over de streep te trekken) ging ik op zoek naar het antwoord.

Ik las dat Steenhuizen vroeger wel eens met haar ouders botste, ‘maar nooit extreem’. Dat ze in het Utrechtse studentencafé de Zotte werkte, waar de mannelijke clientèle tot haar ongenoegen soms vroeg: ‘Goh, wat ben jij gespierd, sport je veel?’ Dat ze denkbeeldig het hoofd van haar ‘lieve oma’ in de camera stopte en het verhaal dan aan haar vertelde. En – daar hebben we het antwoord – dat ze in confrontaties met de ‘stoere aannemer Aaron’, haar levenspartner, ‘vrij gepassioneerd haar punt maakt’.

Dat laatste leek me een understatement. Dat nam me voor Steenhuizen in, want ik hou wel van understatements. Van een onderkoelde, subtiel-ironische, noem het ‘Britse’ stijl.

Dat is dus nadrukkelijk níet de stijl van Philip Freriks, die ook door zijn eigen collega’s vaak té werd gevonden (en zo je hele item kon verknallen). Nee, ik doel op de stijl van Herman van der Zandt.

Maar zover is Steenhuizen nog lang niet.

Van der Zandt (1974) is razend populair door zijn combinatie van volmaakte onverstoorbaarheid en spitsvondigheid. Gevoel voor humor heeft ook Steenhuizen (1977) heus wel, zeggen mensen die haar kennen, maar op tv merk je daar weinig van. Het mag af en toe best iets speelser, wat meer ad rem, vinden ze bij de NOS. Daar wordt Steenhuizen dan ook in getraind.

Verder valt er weinig op haar aan te merken. Ze heeft een goeie, lekker lage stem, raakt nooit van de wijs en – bij vrouwen is dat nóg belangrijker dan bij mannen, weet men in Hilversum – niemand ergert zich aan haar verschijning.

Steenhuizen straalt veel meer gezag uit dan, bijvoorbeeld, haar RTL-collega Merel Westrik (1979). Volgens mij was half Amsterdam (de mannelijke helft) verliefd op Westrik toen ze nog het AT5 Nieuws presenteerde. Maar omringd door snappy collega’s maakt zich al snel klein, zag ik vorig jaar op het Grote Interviewgala in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Het afkeurende geroezemoes was niet van de lucht toen ze ook nog eens een knaller van een taalfout maakte.

Bovendien, stellen insiders, heeft Westrik een handicap die ook de blonde NOS-nieuwslezeres Dionne Stax (1985) heeft: ze is eigenlijk te mooi om een gezaghebbende nieuwsanchor te kunnen zijn. Gevreesd moet worden dat een of andere cabaretier op gympies daar vroeg of laat een lollige opmerking over zal maken.

Steenhuizen – ze gaat binnenkort voor de tweede keer met zwangerschapsverlof – is niet te mooi. Ze heeft een knap gezicht (vind ik), en verder vind ik vrij weinig van haar verschijning. Maar ze is wel mijn type nieuwslezeres: professioneel, intelligent en onverstoorbaar.

Nu alleen nog dat toefje ‘Herman’.

Eindelijk had ik iets gevonden om over zaniken: een paginagroot stuk over Zuidas-types die in hun vrije uurtjes de bokshandschoenen aantrekken. Dat is in een zaterdagkrant (7 mei) toch echt té niksig-frivool op pagina 3 als de wereld in de fik staat. Ik mag dat zeggen, want ik bokste acht jaar geleden al met een neuroloog en een filmregisseur.

Snerend wilde ik verwijzen naar dagblad De Pers, de wijlen gratis krant die ook uitblonk in lekker gekke keuzes op prominente plekken (‘Bijna niemand houdt van spruitjes. Onze 16-jarige redacteuren Kiki en Xavier leggen uit waarom dat onterecht is’).

Twee dagen later sprak ik een collega wiens mening over de media ik zeer serieus neem. Hij, enthousiast: ‘Weet je wat ik een leuk Volkskrant-artikel vond? Dat stuk over boksen! De week ervoor had ik net mijn eerste proefles genomen. Heeft de krant perfect aangevoeld, dat die sport hip aan het worden is.’

De Volkskrant is mijn krant. Ik lees hem sinds mijn twaalfde, liep er stage, kreeg ondanks belachelijk lang haar en een kolossale oorring een tijdelijk contract en vervolgens twee rubrieken in het economiekatern.

Later ging ik de krant lopen klieren. Althans, zo zag hoofdredacteur Pieter Broertjes dat. Voor mijn mediarubriek in HP/De Tijd speurde ik continu naar scoops als: wie wordt de nieuwe adjunct van de Volkskrant/NRC/Vrij Nederland? Wat buiten de grachtengordel natuurlijk niemand een lor kon schelen. Ook was ik tuk op ruzies en uitglijders.

NRC-hoofdredacteur Folkert Jensma gaf zelfs antwoord als hij op de ski’s stond in Italië. Broertjes niet. De gevoelsmens vond de speels-vileine stukjes te kwetsend, kwam de aap uiteindelijk uit de mouw.

Over zijn latere opvolger Philippe Remarque schreef ik nog wel dat zijn gezaag aan Broertjes’ stoelpoten steeds oorverdovender werd, maar toen hij diens kamer eenmaal had veroverd maakte ik de rubriek niet meer. Nu denk ik: zou ik Remarque even vaak in zijn kuiten hebben gehapt als Broertjes en Jensma? De plagiërende stagiair was eind vorig jaar zeker een stukje geweest. Je kunt ook té veel vertrouwen hebben in jongeren – Broertjes was daar voorzichtiger in. Maar verder?

Toen Remarque medio 2010 aantrad, had Broertjes het moeilijkste werk al verricht: hij had de krant goeddeels ontdaan van zijn intolerant-linkse, zurige odeur. Door mensen van Elsevier en Quote in te lijven bijvoorbeeld. De mastodonten Jan Tromp en Jan Blokker ontploften nadat óók nog Chris ‘Onze cultuur is de beste‘ Rutenfrans was gecontracteerd. In HP verscheen een groot artikel met de kop ‘Eerst rooms, toen rood, toen ruzie’. Onze conclusie: Broertjes had de Volkskrant veel pluriformer, bijdetijdser en leesbaarder gemaakt.

Wel stond de oplage sterk onder druk. Bureau McKinsey had al lang geconstateerd dat Nederland compactere dagbladen wilde, maar Broertjes hield halsstarrig vol dat je alleen op broadsheet een echte kwaliteitskrant kon maken. Daar dacht Persgroep-topman Christian Van Thillo, die de krant in 2009 overnam, genuanceerder over, dus die tabloid kwam er alsnog. De ambitieuze Remarque werd hoofdredacteur.

Een tabloid maken is een heel ander kunstje. De onderwerpkeuzen, het ritme, de presentatie, de vaak weekblad-achtige lengtes: Remarque en zijn chefs leggen de puzzel meestal zo dat ik denk: ja, nú wil ik inderdaad dít lezen. Als jouw keuze de enige logische lijkt – al hebben redactionele twisten hieromtrent de ruiten doen trillen – doe je iets goed.

Ook van de ‘moetjes’ probeert de redactie iets origineels te maken. De levenslust en het schrijfplezier spatten van elk stuk. Al blijft het oppassen met beeldspraak en vergelijkingen. ‘Hij is de PvdA onder de automobielen: de Mitsubishi Outlander. Eens ongekend populair, nu in ongenade gevallen.’

Verder nog iets? Ja, de vergaarbak ‘Sir Edmund’. Prachtige drukkwaliteit hoor. Verrukkelijk pretentieloze rubriekstitel ook: ‘Sylvia Witteman heeft iets gelezen’. Maar anders dan bij het Volkskrant Magazine snap ik nog steeds niet wat dat ding nou precies ís.

Van de economische verslaggeving val ik niet dagelijks van mijn stoel, maar dat roep je al snel als je zelf bij Het Financieele Dagblad werkt. Inzake kwesties van multiculturele aard lette de Volkskrant onder Broertjes al beter op dan de NRC. De krant durft ook echt stelling te nemen. Geen fopstrafjes meer; nee, écht aanpakken die bedreigers van Ebru Umar, betoogde chef van de parlementaire redactie Raoul Du Pré in een commentaar.

Over de ‘Voetnoten’ van Arnon Grunberg klaag ik niet. Die frutsels zijn in april al afdoende gefileerd door de jongens van De Snijtafel, puur op de inhoud (terugkijk-tip). En ach, Martin Sommer staat er ook in. En Arthur van Amerongen. En Elma Drayer. En Ross Douthat. Wel is het jammer dat Wouter Bos onlangs is gestopt als columnist. Ik heb een zwak voor niet-moraliserende linkse realo’s die niet op een enorm landgoed te Nunspeet wonen.

Dit zijn de zeurpagina’s in Villamedia, maar ik héb dus relatief weinig te zeuren.

O wacht, iets minder Songfestival graag. En in een intro las ik dit: ‘Deze Koningsdag gaat de geschiedenis in als de koudste ooit. Brrr…’

Brrr…?!

Jongens (m/v) van míjn Volkskrant, hier trek ik echt een grens. Het is verdomme het AD niet!

Talloze keren heb ik op feestjes ernstig staan knikken als ik mooie meisjes totale kolder hoorde debiteren. Zou dat ook Arie Boomsma te vaak overkomen zijn?

(gepubliceerd in Villamedia magazine, november 2014)

De grootste fan van Arie Boomsma is mijn 92-jarige tante Greet. Twee wijntjes per dag en een ondeugende geest houden haar jong. Wat Boomsma precies doet weet ze niet, maar daar gaat het haar ook niet om. ‘Die kin!’ zegt ze dan verrukt. En, nog verrukter: ‘Dat líjf!’

Kin en lijf zijn, zie ik ook als hetero heus wel, een attractie. Maar Boomsma kán ook dingen. Dat wil zeggen: bepaalde mensen vínden dat hij dingen kan, anders kwam hij niet zo vaak op tv. Maar wat kan Boomsma dan precies? En is het genoeg om zijn vele mediaoptredens te rechtvaardigen?

Ik had me dat nog nooit een seconde afgevraagd tot ik Boomsma op 20 augustus bij Knevel & Van den Brink hoorde verklaren dat ‘ISIS natuurlijk níets met de islam te maken heeft’. Hij zei het met de stelligheid van de vermaarde arabist. Helaas voor hem wenste de twittercommunity zijn autoriteit niet te erkennen. Ook ik spurtte naar mijn laptop om Arie eens fijn op zijn nummer te tikken. Immers, een club die beweert te doen wat ze doet uit naam van de islam, heeft op z’n minst íets met de islam te maken. Maar het hoefde niet meer; teveel anderen waren me voorgegaan.

Ik heb het fragment een paar keer teruggezien. Wat me vooral frappeert is Boomsma’s kennelijke veronderstelling dat wij, de kijkers, hem in dezen serieus zouden nemen.

Bij het schrijven van een column kan het handig zijn als je je onderwerp persoonlijk kent, of mensen kent die hem kennen. Maar helaas, ik ken zelfs niemand die wel eens een programma van Boomsma heeft uitgezeten. Wat hij doet, speelt zich, kortom, in een parallel universum af.

Wel las ik ooit dat Boomsma (40) conservatief is, een geestverwant van Thierry Baudet. Moet kunnen. De tijd dat we met z’n allen heel zeker wisten dat alleen linkse mensen het beste voorhebben met de wereld ligt gelukkig achter ons.

Op internet lees ik dat Boomsma de zoon van een Marker dominee is, hetgeen zijn conservatisme vast ten dele verklaart. Hij studeerde psychologie en communicatie in de VS en werkte enige tijd als fotomodel. Zijn tv-debuut maakte hij bij Veronica, in iets dat Uhh… vergeet je tandenborstel nietheette.
In 2006 ging hij aan de slag voor de EO. Vanaf dat moment werd het interessant.

Boomsma is een beroepschristen met een voorkeur voor licht-schurende programma’s die iets met seks van doen hebben. Voor de EO maakte hij 40 dagen zonder seks, voor de KRO juist Alle dagen seks (het omgekeerde zie je ook lastig voor je). De verpletterende urgentie van zulke formats is mij niet helemaal duidelijk, maar ik ben de doelgroep vast ook niet.

De christenhipster met de zachte stem is allerminst vies van een relletje. Zo schorste de EO hem na een fotoserie in een homoglossy van Linda. Dat laat hij trouwens graag met zich doen, fotograferen. In januari sierde zijn geprononceerde sixpack de cover van het maandblad Men’s Health.

Ook heerlijk: gefilmd worden. Filemon Wesselink mocht onlangs zondagochtend om negen uur mee naar de door de hunk bij voorkeur dagelijks gefrequenteerde sportschool. De kijker leerde dat behalve zijn armen ook Boomsma’s rug helemaal is volgekliederd.

Edoch, toegegeven, Boomsma is niet alléén maar looks. Hij presenteerde een tijdlang het live-discussieprogramma Debat op 2. Ik denk dan nog steeds met enige heimwee terug aan Cees Grimbergen, maar Boomsma was wel één en al betrokkenheid, stelde de juiste vragen en hield het hoofd koel. Sowieso valt in hem te prijzen dat hij de lat voor zichzelf zo hoog legt.

Over Uit de kast, waarvan de KRO alweer het vierde seizoen uitzendt, heb ik echter mijn twijfels. Is het nu echt nodig om nietsvermoedende ouders een bazooka met een lamp erop in hun gezicht te duwen als zoonlief hun vertelt dat hij niet voor kleinkinderen gaan zorgen? Zulke intieme momenten uit iemands leven horen niet op televisie, zei Antoinette Hertsenberg laatst terecht.

Maar homoseksualiteit is inmiddels wel Boomsma’s onderwerp. In elk geval veel meer dan de islam dat is. En dus blijft de vraag: waarom zei hij dat zo stellig over ISIS?

Talloze malen heb ik op feestjes ernstig staan knikken als ik mooie meisjes de grootst mogelijke kolder hoorde debiteren. Te vrezen valt dat die meisjes op zulke momenten echt dachten dat ze reuze verstandige dingen zeiden. Zou ook Boomsma dat te vaak overkomen zijn?

De afstraffing volgde in de allerlaatste uitzending van Knevel & Van den Brink, op 29 augustus. Gast Jeroen Pauw memoreerde dat ‘iemand hier aan tafel’ had gezegd dat ‘ISIS niets met de islam te maken heeft’, hetgeen Pauw een ‘vrij potsierlijke opmerking’ had gevonden. Knevel knikte instemmend: ‘Ik zal zijn naam niet noemen’.

Van je geloofsgenoten moet je het maar hebben.

Volgens veel Nederlandse economen is zijn presence Ewald Engelens grootste kwaliteit. Ze noemen hem een schreeuwlelijk en een beunhaas. Maar ieder debat heeft dwarse denkers nodig.

(gepubliceerd in Villamedia magazine, mei 2014)

Ooit studeerde hij journalistiek, nu is hij hoogleraar ‘financiële geografie’. Ik had daar ook nog nooit van gehoord toen ik Engelen in 2011 voor het eerst bij Pauw & Witteman zag. Maar ik dacht wel: wauw, deze eloquente scherpslijper weet hoe het zit!
En het zat duidelijk niet goed. Met het afwentelen van de gevolgen van de crisis op de burger. Met de enorme macht van de banklobby. Met de kennis van zaken van onze politici. Met het bord voor de kop van onze economen.
Toen ik hem begin vorig jaar voor het eerst interviewde, gaf Engelen ook de financiële journalistiek zijn vet: ‘Die heeft de afgelopen twintig jaar evenmin opgelet.’ Woorden die ik met instemming in mijn artikel zette. ‘Tuurlijk, koop gerust een huis’, had een collega die als huizenmarktexpert door het leven ging eind 2007 gezegd. Hij verwachtte geen prijsdaling. ‘Mensen zullen altijd moeten blijven wonen, nietwaar?’
Inderdaad. Minimaal tien jaar op dezelfde plek, wegens een virtuele restschuld van nu zestig mille.

Engelen zei ook van alles over de euro. ‘Een mislukt experiment. Stoppen ermee dus.’ Eerder had ik uit de mond van een andere dwarse denker, ex-NRC-journalist Paul Frentrop, opgetekend: ‘Als de euro mislukt is, waarom zouden we hem dan redden?’
Tsja.

Volgens de als reuze verstandig bekendstaande SER-baas Alexander Rinnooy Kan zou het zonder euro één grote puinhoop zou worden. Echter, diezelfde Rinnooy Kan zat tot 2006 onbekommerd zijn dikke bonussen te tellen als bestuurder van ING, terwijl het lagere personeel conform de instructies doende was de klanten ‘maximaal uit te nutten’, vertelde een ex-ING’er me een paar jaar geleden. ‘Uitnutten is een eufemisme voor uitmelken,’ zei hij erbij. Maar dat had ik al begrepen.
Ook interviewde ik topeconoom Lex Hoogduin. Hij verklaarde dat de euro goed is, want, zo legde hij uit, als de euro niet goed was geweest, hadden we hem niet genomen. Punt.
Ik had sterk het gevoel dat het maar goed is dat Hoogduin in 2011 geen baas van De Nederlandsche Bank is geworden.
Mijn toenmalige schoonvader, binnengelopen als hoge ambtenaar in Brussel, sneerde: ‘De eurolanden kunnen samen nog geen snoepwinkel runnen!’ En een toezichthouder van De Nederlandsche Bank bekende me op de camping dat hij geen flauw benul had of doorgaan met deze euro wel verstandig was. ‘Maar ja, dat zal geen DNB’er hardop zeggen.’

Ik werd steeds ongeruster. Lette ‘de journalistiek’ wel goed genoeg op? Nee, stelde Engelen. Hij wist hoe dat zat: elke euroscepticus werd door de ‘babbelende kaste’ automatisch in het Wilders-kamp geplaatst en hoefde dus niet serieus te worden genomen.
Mij leek een opsplitsing van de eurozone in een noordelijk en zuidelijk deel logisch, maar NRC-adjunct Marike Stellinga hield de Grieken er liever bij, en Marike was vroeger bij FEM/De Week– we waren toen collega’s – al de slimste van de club. Alleen, Marike was evenmin onfeilbaar gebleken. Begin 2008 schreef ze in Elsevier: ‘In Nederland is op de huizenmarkt niks aan de hand. Het is onwaarschijnlijk dat de huizenprijzen gaan dalen.’
En dus vertrouwde ik andere handelaren in ferme uitspraken over de euro niet meer dan ik Engelen vertrouwde. Hij had alles wat een andere hardcore euroscepticus, Arjo Klamer, niet had. De hoogleraar economie klaagde dat hij zo weinig op tv kwam en vermoedde vooringenomenheid jegens eurosceptici bij de P&W-redactie. Zou kunnen. Maar Klamer ontbeerde het James Bond-achtige voorkomen van Engelen en diens jaloersmakende vermogen om à ‘l improviste even prachtige als onverbiddelijke zinnen te construeren.

Onlangs interviewde ik Engelen opnieuw. Het begrotingstekort is gedaald, de economie trekt weer aan en er slapen nog steeds geen bijstandsmoeders onder de brug. Hij heeft dus iets uit te leggen. Pessimistisch is Engelen nog steeds, maar zijn scheldcolumn in Het Parool heeft hij begin dit jaar toch maar ingeleverd. Hij begon, vertelde hij, ‘een hekel aan zichzelf te krijgen’. De 51-jarige heeft nog drie podia over: De Groene Amsterdammer, De Correspondent en Follow the money. En Twitter natuurlijk. Huidige score: 27.000 tweets.

Bij Het Financieele Dagblad, waar ik tegenwoordig (parttime) werk, neemt niet iedereen Engelen even serieus. Dat heeft behalve met zijn exotische leerstoel met zijn niet altijd even realistische oplossingen – zoals bankbuffers van 15 procent – te maken.
Ik hoop echter dat de gesjeesde journalistiekstudent nog lang tekeer blijft gaan daar aan de zijlijn. Elk debat heeft immers dwarse denkers nodig.
Wat ik ook in Engelen waardeer: niemand maakt zich zo druk om de generatie huizenkopers die nu welbewust over de kling wordt gejaagd als hij. En dat terwijl zijn appartement in De Pijp allang hypotheekvrij is.