Tara Singh Varma werd in de zomer van 2001 ontmaskerd als bedriegster en gebrandmerkt als Nationale Gek. Sindsdien is het stil rond de ex-GroenLinks-politica. In het laatste interview dat ze ooit zal geven, vertelt ze wat er met haar is gebeurd. ‘Mijn beste vriendinnen stalen mijn hele huis leeg.’

door Boudewijn Geels

(Gepubliceerd in HP/De Tijd, oktober 2005, en opgenomen in het bewaarnummer ‘Het beste uit 999 keer HP/De Tijd’)

De opmerking dat ze er goed uitzag, was de sleutel. Tara Singh Varma glimlachte breed. Ja hoor, ze wilde best wat vragen beantwoorden. Ze deed haar schort af en kwam achter de counter van Toko Surima vandaan.
Een man met gitzwart haar snelde met gefronste wenkbrauwen naderbij, maar Singh Varma stelde hem gerust: de bezoeker wilde alleen maar even praten. De man, ergens in de vijftig, stelde zich voor als Harold Ghazi, eigenaar van het restaurant in de Amsterdamse Vespuccistraat. “Hij is mijn steun en toeverlaat,” legde het ex-Tweede Kamerlid voor GroenLinks uit.
Haar beschermer volgde haar naar het belendende vertrek, waar diverse eettafels stonden opgesteld. Het duo nam plaats aan de eerste tafel aan de linkerkant. “Mijn vaste stek,” verduidelijkte Singh Varma. “En, wat wilde u allemaal weten?”
Nou, hoe het haar sinds die krankzinnige zomer van 2001 is vergaan.
Ze begon te vertellen. Alsof er een ventiel was losgeschoten gulpten de zinnen eruit. Ghazi keek bezorgd toe en maakte bezwerende gebaren als Singh Varma naar zijn zin iets té openhartig was. Maar na ene half uurtje legde hij zijn hand op de hare en zei: “Ik vind het heel goed van je dat je je verhaal zo kalm en duidelijk vertelt”. Inderdaad, de verslaggever moest snel maar eens terugkomen om alles rustig met Singh Varma op een rijtje te zetten. “Mits u duidelijk in uw artikel opschrijft dat het bij dit ene interview zal blijven.”
Het vervolggesprek zou drie weken op zich laten wachten. Dan weer was haar ‘coach’ Ghazi verhinderd, een andere keer vertelde Singh Varma schreiend dat plotseling een goede vriend van haar was overleden. Tot overmaat van ramp moest ze ook nog met ademhalingsproblemen naar het ziekenhuis. “Alsof je een hartaanval krijgt. Verschrikkelijk!”
Een voorstel om het interview bij haar thuis te doen wees ze met kracht van de hand. “U begrijpt mijn situatie niet! Ik ben niet in staat om mijn huis in te richten. Ik heb een bed, een koelkast en een plant, meer niet. Het gesprek moet in het restaurant.”
Aldus geschiedde. Eén vervolggesprek bleek niet toereikend, en dus werden het er drie.

Spoken

Het leven van Tara Singh Varma speelt zich anno 2005 volledig af in de ‘zwarte’ wijk  De Baarsjes. Haar huis staat er, evenals Toko Surima en het Lucas Andreas Ziekenhuis, waar ze onder behandeling is. De afstand waarbinnen ze zich beweegt, beslaat twee tramhaltes.
Die tram, lijn 13, neemt ze tegenwoordig weer helemaal alleen. Inmiddels durft ze ook weer in haar eentje de markt voor de deur van het restaurant op. Het zijn voorzichtige tekenen van herstel na een periode van drie jaar waarin ze met geen stok de straat op te krijgen was.
“Hier in het restaurant ben ik onder de mensen,” zegt ze. “Dat is goed voor me. Ik help in de bediening en ik neem de telefoon op. Als ik me slecht voel slaap ik bij Harold en zijn dochter, of bij een tante. Een vriend brengt me ’s ochtends  naar huis. Daar probeer ik dan rust te vinden.”
Dat valt niet mee, want zoiets als een boek lezen kost haar grote moeite. “Na twee bladzijden moet ik steeds even pauzeren. Elk boek kan ik twee maanden later wéér lezen, omdat ik de clou vergeten ben.”
Televisie kijkt ze nauwelijks. “Al die beelden zijn me veel te druk. Om niet helemáál achterlijk te worden kijk ik wel elke dag één Journaal. En ik lees kranten. In het restaurant De Telegraaf en Het Parool. Daar ben ik de hele nacht mee bezig. Ondanks mijn slaappillen gaat het in bed altijd spoken in mijn hoofd. Dan pak ik de krant. Die is zo saai dat ik altijd wel weer in slaap val.”
Alleen thuis zijn gaat steeds beter. Mede door de gele plakbriefjes op de binnenkant van haar voordeur. Daar staan dingen op als ‘Gas uit?’ en ‘Licht uit?’ en ‘Kleding goed?’. “Ik ben wel eens de straat opgelopen zonder ondergoed, of met mijn trui verkeerd om aan.”

Liegen
Alvorens Singh Varma verder aan het woord te laten, is het nuttig om vast te stellen in hoeverre het klopt wat ze zegt. Ze laat een papier zien van het ziekenhuis; de diagnose. De lijst is lang: hyperventilatie, duizeligheid, vergeetachtigheid, diabetes mellitus, psychose, depressie, burn-out, PTSS (posttraumatisch stresssyndroom), angststoornis, hypothyreoïdie, hypertensie, polyneuropathie, microalbuminurie, steatosis hepatitis. Singh Varma: “Eén van de moeilijke woorden moet een schildklieraandoening zijn”.
Er staat nog meer. “Emotioneel: zeer wisselende stemmingen. Bewustzijn: helder. Oriëntatie: normale oriëntatie in plaats, tijd en persoon. Waarneming: ongestoord. Geheugen: in het gesprek zitten vaak lacunes in het geheugen die ze zelf aangeeft. Concentratie: belanghebbende houdt de aandacht wisselend vast bij het gesprek. Vragen worden wisselend accuraat beantwoord.”
“Dit vind ik leuk,” zegt de oud-politica, een andere bladzijde tevoorschijn toverend. “Belanghebbende is een vrouw van 56 jaar die er iets jonger uitziet dan op grond van haar leeftijd mag worden verwacht.” Singh Varma: “Leuk hè?”
We lezen verder. “Er zijn zoveel zaken te vertellen dat elke vraag een verhaal oplevert, dat overigens redelijk consistent qua inhoud wordt gebracht. Het gesprek verloopt wel van de hak op de tak. Het is duidelijk dat deze vrouw lijdt onder gebeurtenissen uit heden en verleden. Het is echter ook verwonderlijk dat ze hoop houdt en toch mogelijkheden probeert te ontdekken om zich aan dit bestaan te ontworstelen. Ze voert hierbij een gevecht met zichzelf en haar omgeving.”
Goed, maar spreekt ze weer altijd de waarheid? “Ik geloof het wel,” antwoordt Singh Varma bedachtzaam. “Ik ben heel goed onder behandeling en Harold let héél goed op me. Als ik aan mezelf twijfel vraag ik het.”
Ze hoeft ook niet meer te liegen, stelt ze, want ze heeft geen enkele (politieke) ambitie meer.

Kanker
De hel brak los op 20 juli 2001 met een uitzending van het TROS-programma Opgelicht. Dit tv-programma had uit betrouwbare bron vernomen dat Tara Singh Varma, die kort daarvoor ‘voorgoed’ afscheid had genomen van de Tweede Kamer, helemaal niet ziek was. Althans, ze had geen kanker, laat staan terminale. Ze zou haar ziekte simuleren om onder financiële problemen uit te komen.
Er volgden legendarische tv-beelden: Singh Varma die, om te bewijzen dat haar laatste uur wel degelijk had geslagen, in haar appartement lag te kreunen en steunen van de pijn. Fantoompijn, zo bleek later. Op 22 juli gaven fractieleider Paul Rosenmöller en partijvoorzitter Mirjam de Rijk van GroenLinks een verklaring uit waarin ze bevestigden dat het Kamerlid niet lichamelijk maar geestelijk ziek was. Daarmee was haar lot bezegeld. Tarapatie Oedayraj Singh Varma, geboren op 29 augustus 1948 in Springland (Brits-Guyana), opgegroeid in Nickerie en Paramaribo (Suriname) en in 1994 als eerste allochtone vrouw verkozen tot lid van het Nederlandse parlement, stond te boek als bedriegster en Nationale Gek.
Ze herinnert zich er niet zoveel meer van, verzucht ze nu, ruim vier jaar later. “Ik was psychotisch. Geen idee hoe lang al. Volgens de psychiater is dat een proces van jaren, misschien wel tien jaar. Het kan begonnen zijn doordat mijn schildklier te traag werkte. Als je daar niks aan doet, ontstaat er chaos in je hoofd en word je depressief, zeggen de artsen. Mijn huisarts constateerde alleen dat ik moe was. ‘Je werkt te hard,’ zei hij. ‘Ga maar lekker langs het strand wandelen.’”
“Achteraf weet ik dat ik steeds meer van mezelf vervreemdde. Alles ging me tegenstaan. Ik ging ook mezelf tegenstaan. Maar ik had het idee dat ik van alles moest.”
Van wie? Ze heft haar handen ten hemel. Geen idee, betekent dat. Maar ze weet het wel degelijk. “Omdat er nog zo weinig allochtonen in de politiek zaten, stond ik onder een enorme druk. Iedereen keer naar me. Die druk werd me teveel. Toch ging ik door, als een robot. Wat ik zelf nog steeds niet snap: iemand moet toch hebben gezien dat ik niet goed was?”

Psychiater
Ten tijde van Opgelicht leefde Singh Varma in een ‘ander universum’. Rosenmöllers verklaring ging dan ook volledig langs haar heen. “Ik had niet eens door dat de mensen me niet geloofden. Wel vond ik een heleboel mensen raar. Volgens mij had ik best lol. Tot ik merkte dat ik ziek was.”
De man die haar dat stukje bij beetje duidelijk maakte, was psychiater Aschwin Felter. In de maanden na haar ontmaskering bezocht hij haar elke avond. “Hij stelde vast dat ik honderd procent depressief was en schreef met het antidepressivum Seroxat voor. Ik werd er misselijk van, maar ik moest het toch slikken.”
Felter legde bloot wat er, zoals Singh Varma het omschrijft, bij haar ‘verstopt’ zat. “Hij kon dat omdat hij een zwarte psychiater was. Hij had dezelfde culturele achtergrond.”
Wat hij ontdekte zegt ze liever niet. “Dat is vreselijk privé.” Na enig aandringen vertelt ze dat haar geboorte ‘pijn in haar familie heeft gebracht’. “Er is iets vreselijks gebeurd, en daar werd ik op aangekeken.” Maar je kunt toch geen pijn veroorzaken, puur en alleen door geboren te worden? “Vertel dat maar aan mijn familie. Er is iets met mijn moeder gebeurd en daar ben ik uit voortgekomen.”

Dieven
In het ziekenhuis organiseerden de psychiaters een familiegesprek. Dat wil zeggen: een gesprek met Singh Varma’s in Nederland verblijvende familie – haar moeder, broer en zussen bleven in Suriname. “Toen hoorde ik dat mijn grootmoeder in een inrichting heeft gelegen. Ze hoorde stemmen. En mijn jongste broertje heeft zelfmoord gepleegd. Er is dus het een en andere aan de hand in mijn familie.”
Ze zwijgt even. “Maar over dat soort dingen praten we niet met elkaar. Psychische aandoeningen zijn in de Surinaams-Hindoestaanse cultuur taboe. Dus stoppen we alles altijd onder een dikke wollen deken.”
Ze heeft van haar hele familie afscheid genomen, behalve van ‘tante Es’, een tante die haar verzorgde in de tijd dat de hele wereld dacht dat ze kanker had. “Harold en Paulus zijn nu mijn familie.” ‘Paulus’ is Paulus Mungra, een oudere Surinaamse journalist met wie Singh Varma, vanuit Toko Surima, elke maande de Volkskrant Suriname maakt. Het oud-Kamerlid staat als hoofdredacteur in het colofon.
Ook alle vrienden kennissen van ‘toen’ heeft ze aan de dijk gezet. “Iedereen was altijd welkom bij haar,” bromt Ghazi. “Eten, drinken, Tara gaf ze alles. Heel veel mensen hebben van haar geprofiteerd.” Singh Varma: “Bijna al mijn sieraden zijn verdwenen. Door te dreigen met de politie heeft Harold een deel teruggekregen, maar negentig procent is foetsie. Nou, ik hoop dat ze er gelukkig mee zijn.”
Zo te zien heeft Singh Varma de weg naar de juwelier hervonden, want aan haar oorlellen en om haar nek glimt van alles. “Joh,” roept ze, “dat is allemaal nep!”
En wie waren die dieven nou precies? “Zogenaamde familie en zogenaamde beste vriendinnen. Ik zat erbij en keek ernaar, maar wist totaal niet wat er gebeurde. Ondertussen werd mijn hele huis leeggehaald. Dat gebeurde zelfs toen ik in het ziekenhuis lag. Ik bezat een heleboel Indiase schilderijen. Nu heb ik er geen één meer.” Ghazi, hoofdschuddend: “Heel veel mensen hadden de sleutel”.
Singh Varma: “Als je gek bent, trek je gekke mensen aan. Zowel in de periode dat ik zogenaamd kanker had als daarna kreeg ik allerlei mensen aan de deur die leuke therapietjes voor me hadden. Geneeskrachtige oliën, gebedsgenezers, geluiden die boze geesten uit mijn hoofd zouden jagen: noem maar op. En ik maar betalen. Soms kom er nog wel eens iemand van toen navraag naar me doen, maar Harold weet dat ik die mensen liever niet meer zie. Want tachtig procent was niet aardig. Dat is veel, ja. Ik heb in een niet-aardige omgeving geleefd.”

Opname
In het voorjaar van 2002 werd Singh Varma met spoed opgenomen op de psychiatrische afdeling (PAAZ) van het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis. Ghazi had haar levenloos aangetroffen in de badkamer. De brandweer takelde de ex-volksvertegenwoordigster op een brancard naar beneden.
Ondanks het heilzame werk van psychiater Felter ging het in die periode nog slechter dan in 2001. “Ik sliep nauwelijks en gebruikte nog geen Depakine. Dat is een zwaar medicijn tegen epilepsie. Het heeft als bijeffect dat het stemmingswisselingen tegengaat. Die Depakine zal ik de rest van mijn leven moeten blijven slikken.”
De hele zomer van 2002 verbleef ze op de PAAZ. Bezoek kreeg ze niet. “Ik wilde niet al die idioten over de vloer. Want ze gingen bellen hè: ‘Ik ben tante dit en tante dat’. Niks ervan, wegwezen! Harold bracht vaak eten voor me mee. Na een tijdje had het hele ziekenhuis een potje Surinaamse pindakaas, haha. En we aten ijsjes in de tuin. Eigenlijk was het er best gezellig.”
In het ziekenhuis begon het ook tot haar door te dringen dat ze niet terminaal ziek was. “Dat was dokter Felter nog niet helemaal gelukt.” Was ze opgelucht toen ze zich realiseerde dat ze niet stervende was? Tien seconden stilte. “Eh, toen ik besefte dat ik in een rare wereld had geleefd was ik opgelucht.”
Waaróm dacht ze nou dat ze kanker had? “Volgens mijn psychiater kwam het door mijn depressie. Omdat ik die niet behandelde, kwam ik in een psychose. De onderliggende gedachte was dat ik dood wilde. Op een of andere manier gíng ik dus ook echt dood. Dat verlangen heb ik nog weleens, maar dan op een andere manier. Zo van: als ik onder een tram kom, is dat misschien beter. Zaterdag had ik het weer, nadat ik had gehoord dat die goede vriend was overleden.”
Na enkele maanden fulltime in het ziekenhuis ging ze in de dagbehandeling, ’s ochtends van kwart voor negen tot ‘s middags vijf uur. Eerst vijf dagen per week, en geleidelijk steeds één dag minder. Eén keer kreeg ze een terugslag en moest ze weer vijf dagen onder behandeling. Inmiddels zit ze weer op één dag per week. Nog altijd slikt ze dertien pillen per dag.

Yuppenpartij
Contact met GroenLinks heeft ze niet meer. “Ik heb nooit meer een kaartje of belletje gekregen,” zegt ze verbitterd. “Een partij van warme mensen? Dat líjkt zo, ja.”
Ook hekelt ze de manier waarop GroenLinks zich profileert. “Bij de CPN waren we gericht op actie: hup, de straat op, ergens voor vechten! Dat is bij GroenLinks niet meer aan de orde. Yuppen zijn de kern, niet meer de bijstandsmoeder of het moesje uit de Bijlmer. GroenLinks is een onpersoonlijke, bureaucratische partij als alle andere.”
In de Amsterdamse gemeenteraad – ze zat er twaalf jaar – heeft ze door samenwerking veel bereikt, vindt ze zelf. “Maar in de Tweede kamer was je elkaars concurrent. Ik kon daar slecht mee omgaan. Altijd maar moeten scoren – liefst in de Volkskrant en Nova. Daar kreeg je mediatrainingen voor. Nou, binnen vijf minuten was ik alles weer vergeten. Ik had verdorie nooit naar die Tweede Kamer moeten gaan. Ik heb me er zo ongelukkig gevoeld.”
Welaan, dat roept twee belangrijke vragen op. De eerste; waarom heeft ze zich in 1998 dan herkiesbaar gesteld voor een tweede termijn? “Waarschijnlijk was ik al ziek,” zegt ze. Vraag twee: waarom ging de partij met haar verder? Ze haalt de schouders op. “Een troetelallochtoon was ik in elk geval niet. Ik had een veel te grote mond. Maar ik had ook een enorme achterban. Bij de Tweede Kamerverkiezingen kreeg ik ruim dertienduizend voorkeursstemmen.” Dan, gnuivend: “Maar ja, tijdens fractievergaderingen was dat zogenaamd niet relevant”.
Voelt Singh Varma zich door GroenLinks gebruikt, of zelfs misbruikt? Ze knikt. “Het ging de partij om mijn stemmen. Verder waren ze me liever kwijt dan rijk.”

Schuldgevoel
Nu nog ontvangt Singh Varma wachtgeld als ex-Tweede Kamerlid. Over een tijdje wacht de WAO. Ze staat financieel min of meer onder curatele van Ghazi. “Eens per maand neem ik alles met hem door. Ik heb nog wat schulden van ‘toen’, maar daar is een regeling voor getroffen.”
Over geld gesproken: ze heeft weinig meer nodig. “Waar ik vroeger naar dure parfumwinkels ging, koop ik nu gewoon bij Etos. En waarom zou ik een jurk van vijfhonderd euro kopen als een rok van twintig euro ook leuk staat? Ik leefde in een wereld waarin mensen naar elkaar keken en bekeken werden. Dan ga je vanzelf meedoen.”
Rosenmöller liep toch ook altijd in spijkerbroek? “Ja, maar ik heb het over de dames. Er wordt onderling gepraat, hoor.”
Er gingen ook tal van verhalen over financiële malversaties waaraan Singh Varma zich zou hebben bezondigd. Allemaal onzin, beweert ze. “Ik heb mezelf nooit verrijkt! Alleen was mijn administratie een chaos. Nog steeds vind ik regelmatig bonnetjes in oude agenda’s. Op een dag zal ik ze allemaal ordenen.”
Is het niet gewoon zo dat ze als politicus alleen heeft kunnen gedijen door de verstikkende politieke correctheid van de jaren tachtig en negentig? Ze slaakt een diepe zucht. “Wat moet ik daar nou op zeggen? Veel mensen beschuldigen me ook van cliëntelisme, terwijl negentig procent van de mensen die ik hielp niet eens mocht stemmen.”
Voelt ze zich nog schuldig, bijvoorbeeld tegenover kankerpatiënten en GroenLinks? Ze schudt het hoofd. “Volgens mijn psychiater moet ik het achter me laten. Dat probeer ik te doen. In het begin had ik het wel. Toen dacht ik: Jezus, wat heb ik allemaal… Dat is het pijnlijke van het genezingsproces. Dat je ziet welke puinhoop er is gemaakt. Maar ik heb het niet met opzet gedaan. Ik was gewoon gestoord.”