De paniek slaat toe. In gedachten had ik deze boot al gekocht, maar voor 1500 euro móét er natuurlijk wel iets mis mee zijn. Dit dus!

(Column, gepubliceerd in de Waterkampioen, maart 2018)

Met bonzend hart rij ik vanuit mijn woonplaats Amsterdam naar De Kaag. Daar ligt een zeiljachtje dat aan al mijn wensen voldoet: een blauwe Corribee 21. Op internet staan een helebóél zeiljachtjes die aan al mijn wensen voldoen, maar daar willen de eigenaren geen 1500 euro, doch minimaal het dubbele voor beuren. En dus, zo besluit ik preventief, uit zelfbescherming, kan die Corribee niks wezen.
Als het toch niks is, is het niet erg dat ik mijn favoriete oom niet bij me heb. Oom is al vele jaren mijn baken in de strijd met vulgair dure watersportwinkeliers en gladde Marktplaatstypes. In de auto oefen ik mijn tekst: ‘Leuk bootje, maar veel achterstallig onderhoud, weet u zelf ook. Kan ik best fiksen hoor, tuurlijk! Maar ja, druk druk druk, u kent dat.’

Een half uur later roeit een goedgemutste Hagenees genaamd Erik me naar De Zeester. De boot ligt afgemeerd voor een boerderij in de Kaag-delta. Slim: de stadse aspirant-koper over het water aanvoeren. Ik ruik de vertrouwde, heerlijk muffe geur van het water, voel een zojuist doorgebroken winterzonnetje in mijn nek en hoor iets fladderends lustig fluiten. Potdomme, wat heeft deze kantoorknuppel met zijn balkon van één vierkante meter dit gemist. Ik voel: als het drijft, koop ik het.
En drijven doet het. Ik zie een echte boot. Met een mast. En een kajuit. En – heel belangrijk – een buitenboordmotor. Ik heb een buitenboordmotortic.
Dat komt door mijn moeilijke jeugd. Als kind mochten mijn broer en ik van onze ouders wel een boot, maar onder geen beding een vaartuig met een buitenboordmotor. Kwijlend van jaloezie keken we andere kinderen na vanuit ons piraatje. Mercury, Evinrude, Yamaha, Volvo Penta en Johnson, dat waren de Begeerlijke Vijf. Nog steeds teken ik uit mijn hoofd zo een Volvo Penta 5 pk uit 1982.
Achter de Corribee hangt een Johnson 6 pk. Uit 2008 en dus relatief nieuw – al heeft Johnson duidelijk wel op de kwaliteit van de plakletters bezuinigd. Ik constateer dat Erik de motor in drie keer weet te starten; prima score voor een boot van 1500 euro.

Op het Zweiland hijst Erik het grootzeil. Tegenvallertje: het betreft duidelijk de originele lap uit 1978. Vaal, rafelig, de bolling van een spinaker. Een zeilnummer hangt half los.
Maar dan de fok!
Een echte rolfok is het. Mijn vorige boten, een Splinter 22 en een Bucero 22, hadden die niet, en die jachtjes kostten me elk 3500 euro. Logisch, vond ik toen: voor zo’n bedrag kun je geen rolfok verwachten. Maar dat waren de jaren nul. Nu is alles anders, kennelijk.
Een rolfok is in mijn ogen nog steeds een statussymbool. Ik besluit de aanwezigheid ervan zo vaak mogelijk terloops te droppen in de vele gesprekken die ik over mijn nieuwe aanwinst zal gaan voeren. Op mijn werk bijvoorbeeld: ‘Ik was dit weekend op de boot. Ja, ik heb een boot. Je wilt hem zien? Nou vooruit, ik heb wel een fotootje, denk ik. Zie je? Met rolfok.’
Het voorzeiltje zelf is overigens niet veel soeps: een verweerd stormfokje. Maar het zeilt.

De Corribee kruist bij windkracht 3,5 vrolijk over de verder uitgestorven Kagerplassen en ik geniet. Maar nu wil ik zelf ook wel even zeilen. Ik pak het roer over en dan voel ik het. De helmstok trilt. En niet zo´n beetje ook. Ik kijk Erik strak aan: ´Wat is er loos met het roer?’ Erik kijkt met een neutrale blik terug. ‘Geen idee. Dit heeft-ie al sinds ik hem drie jaar geleden kocht. Ik ben er aan gewend. Het wordt niet erger en hij stuurt prima.’
Ik: ‘Wat zie je als je hem eruit haalt?’ Erik haalt zijn schouders op. ‘Weet ik niet. Hij ligt al drie jaar in het water.’
Hebben we hier dan toch een dealbreaker? De paniek slaat toe. In gedachten had ik deze boot al gekocht, maar voor 1500 euro móét er natuurlijk wel iets mis mee zijn. Dit dus. Ik probeer in te schatten wat de reparatie zal kosten. Zelf heb ik twee linkerhanden; het enige technische dat ik kan is piepers jassen.
Ik neem afscheid van Erik en zeg dat ik erover na zal denken. Erik weet ook dat dat meestal ‘nee’ betekent.

Maar stel nou dat hij morgen gaat proefvaren met iemand zónder schroevendraaierfobie? Of zelfs vanavond al? Ik denk aan de Johnson. En aan de rolfok. En dan stuurt een onzichtbare hand mijn auto resoluut in de berm.
Oom neemt niet op. Dit moet ik dus echt zelf doen. Ik stel me een trits kandidaat-kopers voor die elkaar schreeuwend overbieden. Morgen ben ik te laat, en dan heb ik spijt! Ik aarzel nog een minuutje en bel dan met klotsende oksels Eriks nummer. ‘Ha Erik. 1300 euro?’
Erik, onmiddellijk: ‘Deal!’
O jee, ik heb weer een boot…