(gepubliceerd in de generatiespecial van HP/De Tijd, juni 2013)

“Stagiaire Lisa, wil jij Frank Boeijen polsen voor de rubriek ‘Mijn eerste single’?”

Stilte.

“Jawel… Die is toch van… Doe maar?”

“Eh, nee. Maar hij is wel een generatiegenoot.”

“Hm. Noem eens een hit van hem?”

“Zwart-wit!”

Stilte.

“Denk niet wit, denk niet zwart…”

Stilte.

“Maar in de kleur van je hart…”

Nog een paar seconden is het stil. Dan vliegen Lisa’s vingers over het toetsenbord. En daar staat de Nijmeegse bard, op Wikipedia. Met foto.

Ik: “Weleens gezien?”

Lisa: “Hij komt me wel bekend voor…”

Jonkies die nog nooit van Talk Talk hebben gehoord. Of van Hans Janmaat. Of Wim Kieft. Op mijn laatste verjaardag besloot ik dat ik het simpelweg vertik om 42 te zijn, maar op zulke momenten ben ik het heel erg.

Ik ben van juli 1970. Volgens socioloog Henk Becker behoor ik aldus tot de ‘verloren generatie’(geboren tussen 1955 en 1970). Verloren, omdat de arbeidsmarkt zeer ongunstig zou zijn als we van school kwamen. Zelf stel ik vast dat ik eerder tot de ‘pragmatische generatie’ behoor (1971-1985), en niet alleen omdat dat jonger voelt. In de kille jaren tachtig, toen de werkloosheid net als nu tot alarmerende hoogten steeg, zat ik veilig op school. Daarna ging ik studeren. Door allerhande vertragingstactieken slaagde ik erin om pas in 1996 afgestudeerd te zijn. Toen was-ie inmiddels prima, die arbeidsmarkt.

Ik herinner me de jaren tachtig vooral als een decennium waarin potsierlijke hardrock werd gemaakt, over spijbelen niet al te moeilijk werd gedaan en je op je vijftiende gewoon de coffeeshop in mocht (daar zaten al die spijbelaars dus). Een vrolijke tijd? Nou nee, mijn herinneringen aan de jaren tachtig zijn allemaal in zwart-wit.

Toen kwamen de nineties. Feest! Op wie of wat Kurt Cobain nu precies zo boos was weet ik nog steeds niet, maar ik brulde enthousiast mee.

En iedereen maar stuiteren op de ecstacy. Waar je ook kwam, in het ‘alternatieve’ Tivoli, in de hippe Winkel van Sinkel, iedereen had dezelfde lodderogen. Maar we haalden wel gewoon onze tentamens. De wereld lag aan onze voeten. Wie het dan toch verknalde, was een loser.

Ik wist als twintiger ook heel zeker hoe de wereld in elkaar zat. Zo wist ik bijvoorbeeld zeker dat Frits Bolkestein een vuile racist was. Ik demonstreerde zelfs tegen de VVD-leider op de Dam. Jaren later dacht ik er net zo over als Frits. Toen de 24-jarige zangeres van mijn toenmalige bandje dat hoorde, beende ze woedend de oefenruimte uit. Die racist eruit of ik eruit, was haar boodschap (het werd zij eruit).

Hard feesten doen ze nog steeds, hoor ik van de twintigers van nu. Niet zozeer op ecstacy – dat maakt sloom en het is zóóó jaren negentig. Nee, gewoon op cocaïne. “Bijna iedereen doet het,” zegt Lisa, zelf een uitzondering op die regel.

Twintigers weten ook nog steeds precies hoe de wereld in elkaar zit en geven daar graag colleges aan 42-jarige hoofdredacteuren over. Wat ze echter niet weten is of ze net als wij toen ook allemaal redelijk aan de bak zullen komen.

Soms verbeeld ik me dat ik nog steeds een beetje bij ze hoor. Met boksen en aan de toog leg ik het – tot dusver – zelden tegen ze af. En ík zit óók op Twitter. 

Laatst vertelde ik zo’n über-zelfverzekerde twintiger stoer dat ik in 1995 nog heel even hoofdredacteur van JobNet ben geweest, ’s lands eerste vacaturesite. Ik verwachtte bewondering: zo hee, díe is cool! Helaas, ik oogstte vooral meewarige blikken: zo hee, díe is oud!

Het gat is veel groter dan ik vaak wil weten.

Toch heb ik meer met de generatie onder dan met de generatie boven me. Ze hebben het zwaar, die jonkies. En ook ik heb in mijn leven teveel babyboomers de zaken vooral goed voor zichzélf zien regelen.

Sorry babyboomers.

Er wordt weer gevoetbald op het zuidelijk halfrond. Dat doet deze columnist denken aan zijn motorvakantie ten tijde van het WK in Zuid-Afrika, in 2010. Een mooie tocht door Duitsland was het, vol fijne bochten en gemütliche Kneipen. En toen was daar de Deense Dog Daisy. 

(gepubliceerd in ProMotor, juni 2014)

´Kijk nou eens, hier aan de muur!
Mijn vriend E. komt kijken.
´Ik vind dit eerlijk gezegd knap luguber,´ zeg ik.
´Dit is zelfs héél luguber,´ zegt E., diep onder de indruk.
We staren naar een krantenbericht over een verongelukte motorrijder. Er staan helaas wel vaker berichten over dode motorrijders in de krant, maar dit bericht is in een sierlijst geplakt en aan de muur gehangen.
Aan een andere muur van de eetzaal van het motorhotel in Dollendorf zie ik nóg zo’n lijstje.
Ik zie dat E. hetzelfde denkt als ik: dit zullen toch geen klanten van dit Sauerlandse hotel zijn geweest?
We kijken elkaar aan. ‘Brrr!’

Achter ons horen we opeens getrippel. Ik draai me om. ‘Halló zeg!’ roep ik. Ook E. bromt: ‘Allemachtig!’
Op vijf centimeter afstand staat de grootste hond die ik ooit heb gezien. Of misschien moet ik zeggen: de hoogste. Met een enorme kop. Geen gemene, maar zeker ook geen vriendelijke.
‘No worries guys, ze doet niks,’ zegt de baas van het beest, tevens de eigenaar van de herberg bij de Nürburgring, terwijl hij op een stoel neerploft en een flesje bier opentrekt. ‘Dit is Daisy.’
Een hond met een zo truttige naam kan nooit gevaarlijk zijn, besluit ik, en ik geef het gevaarte een aai.
‘We hoorden haar al blaffen toen we de motoren parkeerden,’ zegt E. ‘Waaks beestje.’
De eigenaar, een Britse vijftiger, grijnst. ‘Klopt. Maar ze is poeslief.’

Enkele uren later zitten de eigenaar, E. en ik voor de tv. Elf Brazilianen tikken elf Nederlanders scheel. Brazilië scoort na tien minuten. Ik schud moedeloos het hoofd.
Kort na rust gebeurt het ongelooflijke: Wesley Sneijder scoort 1-1. Ik spring juichend op.
En dan gaat het fout.
Ik word met een ruk terug in mijn stoel getrokken en voel een doffe pijn in mijn rechterbovenarm. Een enorme hoektand van Daisy is volledig in mijn bicep verdwenen.
Ik staar Daisy verbluft aan, Daisy kijkt even verbluft terug. Dan laat ze los.
‘Jezus mina!’ roep ik. ‘Wat is dit?!’ Ik wijs op een randje geel spul dat een cirkeltje vormt rond de bloederige wond. Het lijkt op banketbakkersroom.
Mijn vriend werkt voor een gezondheidsblad en zegt rustig: ‘Dat lijkt me lichaamsvet.’
Onze gastheer heeft zijn hond naar de keuken gestuurd. ‘Sorry, dit doet ze anders nooit,’ klinkt het zwakjes. ‘Ze schrok toen je plotseling opsprong en juichte.’
Ik kijk hem vernietigend aan. ‘If your dog isn’t football-proof, don’t let it watch football!
‘Breng ons naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis,’ commandeert E. ‘Nu!’
‘Mijn collega zal het doen,’ mompelt de Brit. ‘Ik zal alle schade vergoeden.’

Op de autoradio hoor ik hoe Sneijder ook de 2-1 scoort. Mis ik verdomme nog een volksfeest ook.
In het ziekenhuis kijkt de arts, op wie ik drie kwartier continu zachtjes vloekend heb gewacht, maar liefst één minuut naar de wond. Hij dept hem enigszins schoon en smeert er een zalfje op. Daarna gaat er verband overheen.
Nein, antibiotica zijn niet nodig. Hoe lang geleden bent u ingeënt tegen tetanus?’
‘Geen idee. Dat kan ik thuis pas nakijken.’
‘U moet binnen 48 uur een prik als u niet ingeënt bent.’
‘Over twee dagen zijn we terug in Holland. Dat wil zeggen: als ik kan rijden. Kan ik rijden?’
De lapzwans haalt zijn schouders op. ‘Probeer het, zou ik zeggen.’

Ik bijt op mijn tanden en hou vol, op een mix van saridon, koffie en ’s avonds alcohol. Precies 48 uur na De Beet meld ik me met een kloppende, vuurrode wond bij het ziekenhuis in Amsterdam.
‘Wát?’ zegt de arts geschokt. ‘Heeft mijn Duitse collega je geen antibiotica gegeven?! Het is hartstikke ontstoken! Ik geef je pillen, maar daar kan het best eens te laat voor wezen, en dan moet je aan het infuus. Maar… ben je hiermee terug naar Amsterdam gereden?! Da’s knap.’

Vier jaar later staar ik naar mijn litteken en denk ik aan al die motorrijders die in motorherbergen overal ter wereld naar het WK kijken. Mijn dringende advies: zachtjes juichen als er een hond in de buurt is. Of veiligheidshalve je motorpak aanhouden.
Zit je naast een kolossale Deense Dog met een truttige naam? Doe het dan allebei!

Volgens veel Nederlandse economen is zijn presence Ewald Engelens grootste kwaliteit. Ze noemen hem een schreeuwlelijk en een beunhaas. Maar ieder debat heeft dwarse denkers nodig.

(gepubliceerd in Villamedia magazine, mei 2014)

Ooit studeerde hij journalistiek, nu is hij hoogleraar ‘financiële geografie’. Ik had daar ook nog nooit van gehoord toen ik Engelen in 2011 voor het eerst bij Pauw & Witteman zag. Maar ik dacht wel: wauw, deze eloquente scherpslijper weet hoe het zit!
En het zat duidelijk niet goed. Met het afwentelen van de gevolgen van de crisis op de burger. Met de enorme macht van de banklobby. Met de kennis van zaken van onze politici. Met het bord voor de kop van onze economen.
Toen ik hem begin vorig jaar voor het eerst interviewde, gaf Engelen ook de financiële journalistiek zijn vet: ‘Die heeft de afgelopen twintig jaar evenmin opgelet.’ Woorden die ik met instemming in mijn artikel zette. ‘Tuurlijk, koop gerust een huis’, had een collega die als huizenmarktexpert door het leven ging eind 2007 gezegd. Hij verwachtte geen prijsdaling. ‘Mensen zullen altijd moeten blijven wonen, nietwaar?’
Inderdaad. Minimaal tien jaar op dezelfde plek, wegens een virtuele restschuld van nu zestig mille.

Engelen zei ook van alles over de euro. ‘Een mislukt experiment. Stoppen ermee dus.’ Eerder had ik uit de mond van een andere dwarse denker, ex-NRC-journalist Paul Frentrop, opgetekend: ‘Als de euro mislukt is, waarom zouden we hem dan redden?’
Tsja.

Volgens de als reuze verstandig bekendstaande SER-baas Alexander Rinnooy Kan zou het zonder euro één grote puinhoop zou worden. Echter, diezelfde Rinnooy Kan zat tot 2006 onbekommerd zijn dikke bonussen te tellen als bestuurder van ING, terwijl het lagere personeel conform de instructies doende was de klanten ‘maximaal uit te nutten’, vertelde een ex-ING’er me een paar jaar geleden. ‘Uitnutten is een eufemisme voor uitmelken,’ zei hij erbij. Maar dat had ik al begrepen.
Ook interviewde ik topeconoom Lex Hoogduin. Hij verklaarde dat de euro goed is, want, zo legde hij uit, als de euro niet goed was geweest, hadden we hem niet genomen. Punt.
Ik had sterk het gevoel dat het maar goed is dat Hoogduin in 2011 geen baas van De Nederlandsche Bank is geworden.
Mijn toenmalige schoonvader, binnengelopen als hoge ambtenaar in Brussel, sneerde: ‘De eurolanden kunnen samen nog geen snoepwinkel runnen!’ En een toezichthouder van De Nederlandsche Bank bekende me op de camping dat hij geen flauw benul had of doorgaan met deze euro wel verstandig was. ‘Maar ja, dat zal geen DNB’er hardop zeggen.’

Ik werd steeds ongeruster. Lette ‘de journalistiek’ wel goed genoeg op? Nee, stelde Engelen. Hij wist hoe dat zat: elke euroscepticus werd door de ‘babbelende kaste’ automatisch in het Wilders-kamp geplaatst en hoefde dus niet serieus te worden genomen.
Mij leek een opsplitsing van de eurozone in een noordelijk en zuidelijk deel logisch, maar NRC-adjunct Marike Stellinga hield de Grieken er liever bij, en Marike was vroeger bij FEM/De Week– we waren toen collega’s – al de slimste van de club. Alleen, Marike was evenmin onfeilbaar gebleken. Begin 2008 schreef ze in Elsevier: ‘In Nederland is op de huizenmarkt niks aan de hand. Het is onwaarschijnlijk dat de huizenprijzen gaan dalen.’
En dus vertrouwde ik andere handelaren in ferme uitspraken over de euro niet meer dan ik Engelen vertrouwde. Hij had alles wat een andere hardcore euroscepticus, Arjo Klamer, niet had. De hoogleraar economie klaagde dat hij zo weinig op tv kwam en vermoedde vooringenomenheid jegens eurosceptici bij de P&W-redactie. Zou kunnen. Maar Klamer ontbeerde het James Bond-achtige voorkomen van Engelen en diens jaloersmakende vermogen om à ‘l improviste even prachtige als onverbiddelijke zinnen te construeren.

Onlangs interviewde ik Engelen opnieuw. Het begrotingstekort is gedaald, de economie trekt weer aan en er slapen nog steeds geen bijstandsmoeders onder de brug. Hij heeft dus iets uit te leggen. Pessimistisch is Engelen nog steeds, maar zijn scheldcolumn in Het Parool heeft hij begin dit jaar toch maar ingeleverd. Hij begon, vertelde hij, ‘een hekel aan zichzelf te krijgen’. De 51-jarige heeft nog drie podia over: De Groene Amsterdammer, De Correspondent en Follow the money. En Twitter natuurlijk. Huidige score: 27.000 tweets.

Bij Het Financieele Dagblad, waar ik tegenwoordig (parttime) werk, neemt niet iedereen Engelen even serieus. Dat heeft behalve met zijn exotische leerstoel met zijn niet altijd even realistische oplossingen – zoals bankbuffers van 15 procent – te maken.
Ik hoop echter dat de gesjeesde journalistiekstudent nog lang tekeer blijft gaan daar aan de zijlijn. Elk debat heeft immers dwarse denkers nodig.
Wat ik ook in Engelen waardeer: niemand maakt zich zo druk om de generatie huizenkopers die nu welbewust over de kling wordt gejaagd als hij. En dat terwijl zijn appartement in De Pijp allang hypotheekvrij is.

De tweeslachtige aanpak van Pauw & Witteman leidt te vaak tot onbevredigende televisie. Bovendien is de verrassing er nu wel af. Oplossing: laat Jeroen Pauw het voortaan alleen doen.

(gepubliceerd in Villamedia magazine, januari 2014) 

De tweet was van Willem Middelkoop. “Sprak laatst ingewijde bij P&W. Deze bevestigde dat in de strijd om kijkcijfers meer populaire onderwerpen geprogrammeerd (moeten) worden.”
Het was de avond dat ons soort mensen twitterend afgaf op Pauw & Witteman omdat daar de affaire Onno Hoes werd besproken. Die affaire, vonden we bijna allemaal, ging zo ontzettend nergens over dat het een ons-soort-mensen-programma als P&W onwaardig was.
Willem wist dus hoe dat zat: het volk wil celebrities, en dan bij voorkeur gelázer rond celebrities. Wat het volk wil, moet het volk krijgen, had men bij P&W besloten.
Dat is een pragmatische manier van kijken naar je eigen product: je hebt goede scores nodig, dus pas je je inhoud op z’n minst deels aan aan de wensen van een breed publiek. Ik heb daar helemaal geen morele bezwaren tegen. Zo deed ik dat, door schade en schande wijs geworden (een typisch journalistenblad maken blijft natuurlijk veel leuker), namelijk ook bij HP/De Tijd
Echter, er is een belangrijk verschil tussen een periodiek als HP en P&W. Een opinieblad moet ook in deze barre tijden zijn eigen broek zien op te houden. Als dat niet lukt, volgt een saneringsronde, en daarna nog een, en daarna…  Jeroen Pauw, Paul Witteman en al die hippe redacteuren die het elke werkdag zo jaloersmakend gezellig zitten te hebben in de Westergasfabriek, krijgen hun centjes toch wel. Dat nieuwkomer Humberto Tan een keer 100.000 kijkers meer heeft, hoort niet onmiddellijk tot bezorgd gepalaver van boven hen gestelden te leiden.
Het is immers van tweeën één: óf je bent een programma dat zichzelf helemaal met commercials rond de uitzending moet bedruipen en derhalve echt zo veel mogelijk kijkers nodig heeft, óf je bent een programma dat met belastinggeld wordt gefinancierd om kwalitatief significant beter te zijn dan de gelikte sleepnetproducties van de commerciëlen.
P&W probeert amechtig allebei tegelijk te zijn. Dat heeft vast iets met de STER-inkomsten van doen: de publieke omroep verdient goed aan de reclameblokken rond P&W. Ik ben altijd voor een reclamevrije publieke omroep geweest. Veel duidelijker, en misschien verschijnt er dan ook wel weer eens een advertentie in een opinieblad.
Het heeft vast ook iets met de ego’s van de P&W-redactie te maken: over ons lijk dat die gladde pakkenboer van RTL beter scoort dan wij.
Die tweeslachtige aanpak van deftig en volks tegelijk willen zijn, leidt te vaak tot onbevredigende televisie. Omdat de presentatoren als het gesprek met die wél interessante gast net op stoom begint te komen over moeten naar die langebaanschaatster of Volendammer zanger, types waar het duo naar al sinds de eerste uitzending op 4 september 2006 overduidelijk is gewoon niks mee heeft. Ziehier weer een verschil met een tijdschrift: dat hoeft een diepgravend artikel over een grote geest niet in te korten omdat er verderop ook een acteur in moet.
Wat ook niet helpt: Witteman die te beschaafd links zit  te wezen om in bepaalde gevallen dóór te vragen. Als je denkt: dan doet Pauw het wel, moeten we alweer door naar de Zapservice.
P&W; de twittercommunity kijkt heus nog wel –  een mens moet toch wat na elven. Maar ik ken te veel hoogopgeleiden die het al vrij lang wel geloven met het programma.
Wij, de bijna-afhakers, weten hoe het wél moet. Geef de 67-jarige Witteman het kaartje van Jan Slagter en laat Pauw het voortaan in zijn eentje doen, met gasten die hij zelf honderd procent ziet zitten. Veel spannender en nog goedkoper ook. Jan Smit schuift maar aan bij de pakkenprins.
Pauw is altijd messcherp, gevat en – maar daar moet je van houden – verre van politiek correct. Dat laatste merk je overigens pas goed als je hem interviewt, zoals HP vorig voorjaar deed. Hij kan dan pardoes dingen zeggen als: “De VPRO-interviews uit de jaren tachtig met Hans Janmaat waren van een gruwelijke arrogantie,” en verklaren een bewonderaar te zijn van PowNews-horzel Danny Ghosen. Daar maak je niet elke representant van de culturele elite blij mee, met zulke uitspraken.
Ongetwijfeld zal Pauw een keer Zomergasten gaan presenteren. Maar ik ben nog benieuwder hoe hij het er af brengt als solo-host van een dagelijkse talkshow. Dat kan op een regenachtige dinsdagavond zomaar leiden tot een gesprek met Gerrit Zalm dat wél blijft hangen, omdat Pauw de hele dag zin in de gewiekste VVD-bankier heeft gehad en hem in een half uur volledig binnenstebuiten keert. Hoeveel gasten Pauw op een avond ontvangt, is uiteraard geheel aan hem. Wil hij acht CDA-Kamerleden aan tafel? Geef hem ze en see what happens. Wil hij maar één gast? Sta het hem toe. Heeft die gast maar twee googlehits? Dan zorgt Jeroen er wel voor dat het er een dag later tweeduizend zijn.
En zo niet, dan twitteren we gewoon dat P&W toch beter was.