dinsdag 18 maart 2014

Daniël Arends: 'Ik vind het prima als mensen elkaar niet mogen’


Hij is de coolste en misschien ook wel de leukste cabaretier van dit moment. Nu gaat hij nog in een film spelen ook. Oog in oog met adoptiekind Daniël Arends (33), alias ‘de dikke Wibi Soerjadi’. 'Absurdisme vertelt me veel meer dan een geheven vingertje.’

door Boudewijn Geels
foto's Lars van den Brink 

(gepubliceerd in HP/De Tijd, juli 2013)

Daniël Arends is veel beroemder dan hij eruit ziet. Als hij het bomvolle terras op de Amsterdamse Nieuwmarkt op loopt, lijkt de cliëntèle noch het bedienend personeel hem echt waar te nemen. Gewoon een relaxte Indo van in de dertig op gympies, met een hippig paars T-shirt aan. Zou iets in de ict of zo kunnen doen. Kortom: niks bijzonders aan.
Wel dus.
Daniël Arends is de coming man van het Nederlandse cabaret. Hoewel, feitelijk ís hij er al. Hij wordt bijvoorbeeld zeer bewonderd door zijn collega Theo Maassen, met wie hij dezer dagen een film aan het opnemen is. En dat terwijl Arends een hekel heeft aan acteren. Maar hij werd speciaal gevraagd, en zo’n Theo zal heus wel weten wat hij doet.
Net als de regisseurs Steffen Haars en Flip van der Kuil, bekend van de explosieve Maaskantje-saga New Kids. Niet dat Arends die films heeft gezien trouwens. Hij heeft, zegt hij, ‘een leven’, en het dus druk zat.
Vanwaar eigenlijk die afkeer van acteren? “Ik heb het vaak moeten doen op de Kleinkunstacademie. Ja, als comedian acteer ik ook, maar dan is de zaal mijn tegenspeler. Mijn systeem snapt het gewoon niet: je zegt iets tegen een medespeler, maar, denk ik dan, tegen wie heb ik het nou? Tegen hem? Maar waarom zitten zíj er dan bij?”
Bij Daniël Arends weet je zowel op het podium als in interviews zelden wat hij een seconde later zal gaan zeggen. En als gevoel voor timing de belangrijkste eigenschap voor een cabaretier is, is hij misschien wel het beste dat het Nederlandse cabaret op dit moment te bieden heeft. 
Cabaret kijken valt vaak niet mee: krampachtige nonchalance meets voorspelbaar engagement. Arends zet er een combinatie van volmaakte ontspannenheid, soepel absurdisme en hilarische ‘privé-anekdotes’ tegenover.
En het toppunt van cool: tijdens het interview, van bijna drie uur, doet Daniël Joko Erik Arends (33) niet één keer leuk.

Postbode
Grappen navertellen is moord. De auteur van dit stuk stelt de lezers die Arends niet kennen dan ook voor om, alvorens verder te lezen, eerst even wat filmpjes van hem op YouTube te bekijken.
Bijvoorbeeld dat waarin hij uitlegt waarom er niets erger is dan eten bij een ander stel. “Na kinderporno, oorlog of op een stukje lego staan is dat het állerkutste van de, nou ja, van de héééle wereld.”
Of het fragment waarin het adoptiekind Arends improviseert tegen een meisje uit de zaal. “Ben jij geadopteerd? Wat tragisch! Ik heb dat ooit verzonnen om publiek te krijgen.”
Of het filmpje over zijn tijd als postbode: “Ik heb geleerd: om een goeie postbode te kunnen zijn, moet het je, diep van binnen, íets kunnen schelen of mensen daadwerkelijk hun post krijgen.”
Arends is met zijn veelvuldige gebruik van het woord ‘kut’ niet a priori iets voor de doelgroep van Omroep MAX. Dat zijn de films van Steffen Haars en Flip van der Kuil evenmin. Echter, Bro’s Before Ho’s zal in weinig tot niets lijken of New Kids Turbo (volledig over the top) en New Kids Nitro (totaal krankzinnig). Arends: “Het is een romantische komedie, over twee broers die elkaar ooit hebben beloofd dat ze geen relatie zullen aangaan met een vrouw. Tot op een dag een zekere dame voorbij komt.”
De dame in kwestie is Sylvia Hoeks, Tim Haars speelt Arends’ broer. “Ja, ook in de film ben ik als kind geadopteerd. Maar verder zeg ik er liever niets over, omdat ik niet weet of dat wel mag.” Dat klinkt nogal braaf voor iemand die erom bekend staat dat hij overal lak aan heeft.
Arends – hij beleefde zijn doorbraak in 2006 door het cabaretfestival Cameretten te winnen – kent zijn kwaliteiten. “Wat ik in Haars en Van der Kuil bewonder is: ze snappen dat je komieken in comedyfilms moet laten spelen, en niet alleen acteurs die grappige teksten opzeggen. In de VS weten ze dat al heel lang, hier niet.”
Kan hij wat Nederlandse comedy’s noemen waarin dat zonneklaar blijkt? Helaas, hierin is Arends wél voorspelbaar. Hij doet wat hij ook doet als je hem naar, bijvoorbeeld, zijn mening over politici vraagt: hij volgt ze niet, kijkt er niet naar, weet niet wie wie is. Zegt hij. “Ik kijk eigenlijk nooit naar Nederlandse films. Als ik wil masturberen, zet ik een pornofilm op.”
Aan niets is te zien of dit een grap is.
Nou vooruit, Flodder zag hij destijds wel, vertelt hij terwijl hij een glas verse muntthee laat aanrukken. “Dat was wel een goed gelukte film, toch? Ja, Huub Stapel, alias Johnnie Flodder, was gewoon een acteur, maar volgens mij waren er toen ook nog geen stand-up comedians in Nederland.” 
Dus met de komst van stand-up comedy werd duidelijk dat gewone acteurs geen komedies meer moesten doen omdat er iets beters voorhanden was? “Om het verhaal te dragen heb je altijd een mengeling nodig, maar in een comedy moet je wel werken met comedians, ja. Veel acteurs – niet alle – zijn gewend dat emoties en dergelijke openstaan voor interpretatie. Een comedian weet hoe je een grap zo plaatst dat anderen hem ervaren zoals jij hem bedoelt.”
Heeft hij de tv-serie ‘t Vrije Schaep weleens gezien, met onder anderen Pierre Bokma? Het is aangrijpend niet-leuke televisie. “Nee, niet gezien. Maar ik weet ook niet of ik me anders zou permitteren om me negatief uit te laten over een groot acteur als Bokma. Daarvoor ben ik in deze fase zelf ook te kwetsbaar. Om iemand af te rekenen op iets dat niet zijn core business is... Ik weet dat Bokma regelmatig chillt met Hans Teeuwen, en dat Hans dan keihard om hem moet lachen. Daar is wel het een en ander voor nodig.”
Misschien moeten acteurs gewoon niet leuk dóen? In Masterclass, de eerste speelfilm van Teeuwen uit 2005, is Bokma leuk door juist hyperserieus te zijn. Arends: “Ik heb Masterclass niet gezien.”

Gewetenloos
Daniël Arends werd op 15 oktober 1979 geboren in Jakarta. Na drie maanden werd hij geadopteerd – in zijn shows zegt hij ‘gekocht’ – door een echtpaar uit het Gooi, samen met zijn één jaar oudere halfzus. Hun biologische moeder had de twee bijeen kindertehuis in Jakarta afgegeven.
Er volgde een liefderijke opvoeding in het ‘kakdorp’ Bussum. Arends ging conform de Gooise traditie op hockey en studeerde een blauwe maandag medicijnen, maar volgde toen zijn hart en meldde zich aan bij de Kleinkunstacademie in Amsterdam. Hij had, stelt hij, dus een gelukkige jeugd.
Pas op latere leeftijd zag hij hoe ‘enorm pijnlijk en gevaarlijk’ het moet zijn geweest om er anders uit te zien dan al die andere Bussumse kakkinderen. “Kinderen zijn sterk en weten op zo’n moment niet beter. Ik snap nu pas hoe heftig zoiets is. Het kan pathetisch klinken, maar daar moet wel om gerouwd worden. Ik werd helemaal niet gepest, maar dat anders zijn maakte wel dat ik altijd op scherp stond. Je bent als adoptiekind altijd getriggerd om iets te doen en te zeggen dat jou de moeite waard maakt. Je mag alleen maar op een pósitieve manier anders zijn.”
Maar, erkent hij schuldbewust, het was niet leuk om bij Daniël Arends in de klas te zitten als de aangenomen zoon van een luchtverkeersleider de pik op je had. “Uit angst om zelf niet helemaal bovenaan te staan, was ik echt gewetenloos. Het was naar beneden trappen en naar boven likken. Om mezelf te redden.”
Hij is al twaalf keer teruggegaan naar zijn geboorteland, maar zijn echte ouders heeft hij nog nooit ontmoet. “Volgens mij zou het wel kunnen, maar het maakt me gewoon niet zoveel uit. Als ik in Indonesië ben, wil ik gewoon een leuke tijd hebben met mijn vrienden. Maar misschien is dit iets waar ik over een tijdje vanzelf achter kom: dat ik het wél wil.”
Is hij nu wellicht nog te bang om tegen te vallen? Om weer afgewezen te worden door zijn biologische ouders? “Geen idee. Echt niet. Ik denk dat ik gelukkig genoeg ben, en me thuis gewaardeerd genoeg voel, om dat relatief te laten zijn.” Arends woont vlakbij de Nieuwmarkt samen met singer-songwriter Eefke den Held en hun dochter Nora (één).
Het thema adoptie keert vaak terug in zijn werk. Hij maakt er kiezelharde grappen over, wat hem soms ‘gezeik’ oplevert van adoptieverenigingen. “Maar doordat ik er vrijuit over praat, kan ik me steeds een beetje herpositioneren tegenover het onderwerp. Gevolg: mijn adoptie beheerst mij niet, ik beheers mijn adoptie.”

Zelfironie
Theo Maassen betitelde Arends’ werk als ‘griezelig goed’ en noemde hem ‘de spannendste cabaretier van het moment’. Emilio Guzman zei: “Arends is één van mijn voorbeelden”. Documentairemaker Michiel van Erp, die in 2011 een film over de Comedytrain maakte (en totaal geen klik met Arends had), constateerde: “Hét grote talent bij de jongere garde is Daniël Arends”.
We consulteren ook HP/De Tijd-columnist Kees Torn. Torn stond zelf ruim twintig jaar op de planken en gold met zijn ingetogen conferences vol Bach en briljante taalvondsten als ‘de cabaretier voor cabaretiers’. Torn staat niet bekend als pleaser, en inderdaad volgt een mail die streng begint.
“Daniël staat nadrukkelijk in de traditie van de Comedytrain: hij hult zich in het uniform van die club: gymschoenen en zelfs sportkleding. Die gewoonte heeft me nooit aangestaan. Dat betreft alle stand-uppers. Evenals de nodeloze stemverheffing en het weglaten van wat theater theater maakt: muziek, decor, licht, requisieten. Standuppers kijken te veel naar Amerikanen en naar elkaar.”
Dat brengt Torn op een algemeen bezwaar tegen het genre: “Het is mij te gemakzuchtig. Gemakzucht zie ik ook in Daniëls onderwerpen. Thema’s als ‘het niet kunnen krijgen van een meisje’, of ‘tegen meisjes de verkeerde dingen zeggen’, zijn al zo veelvuldig in cabaretprogramma’s verwerkt dat ik er moe van word.” Zelfs het thema adoptie vindt Torn in Arends’ geval ‘eigenlijk te voor de hand liggend’.
Maar dan volgen de complimenten. “De jury van Cameretten noemde Daniëls rust en zelfvertrouwen als pluspunten, maar vond hem ook ‘zelfingenomen’. Mij bevalt die nonchalance juist wel. Daniël heeft echt schijt aan wat er van hem gevonden wordt. Dat vind ik sympathiek en grappig tegelijk. Aan het begin van een optreden zei hij eens hardop dat hij er helemaal geen zin in had. Ik voelde dat hij het meende. Die echtheid is zeldzaam. Daarom is hij ook een van de weinigen met zelfironie. De meeste artiesten zijn aanstellers die agressief de performer lopen uit te hangen.”

Beledigend
Ook Arends laveert tussen zoetgevooisd en agressief. Zo heeft hij pittige grappen over de corpulente medemens. In een van zijn voorstellingen schreeuwde hij: “Er zijn zoveel dikke ongezonde lui-denkende kutmensen! Ik zag hier buiten weer zo’n dik Surinaams wijf, en dacht: gatverdamme! En dan te bedenken dat zwart afkleedt.”
Het mag dan cabaret heten, als je op zo’n moment voorin de zaal voluptueus zit te zijn, heb je geen topmoment.
Arends: “Nog los van het feit dat er zelf een dikkerd op het podium staat (hij noemde zichzelf in een show ‘een dikke Wibi Soerjadi’ maar is voor de film behoorlijk afgeslankt – BG), het gaat erom dat ik een rein geweten heb. Je kunt alleen beledigd zijn als dat de anders bedoeling is. Dus als iemand zegt: ‘Hee, dat vond ik niet leuk,’ antwoord ik: ‘Dan begrijp je het gewoon niet en zijn we uitgepraat'.”
Voor de dikkerds in de zaal gaat het er wellicht minder om of Arends hen intrinsiek haat dan wat hij op zo’n moment zégt. De cabaretier, onverbiddelijk: “Mijn verhaal gaat erover dat je gefrustreerd raakt als je niet op de toppen van je kunnen functioneert, en dat is het geval als je te dik bent. Een van de consequenties van dik zijn is dat andere mensen af en toe mentaal ruimte innemen, zoals jij dat fysiek doet. En tja, je gaat met je dikke reet naar een cabaretvoorstelling, hoe groot is dan de kans dat je ongeschonden de tent verlaat?”
Arends heeft ook grappen over negers en apen, en over inbrekende Marokkanen. Ja, hij heeft de indruk dat hij net iets meer mag zeggen omdat hij niet lelieblank is. “Maar ik mag het vooral omdat ik het dus niet meen.”

Respect
Ook gekleurde opiniemakers die het af en toe wél menen, erkennen vaak dat ze zich meer kunnen permitteren dan wat we voor het gemak maar autochtonen zullen noemen. Arends knikt. “Een heel stomme regel. De enige relevante vraag is: heeft de spreker respect? Bij een gekleurd iemand denk je al snel: o, dat zal wel goed zijn. Met een blanke moet je eerst anderhalf uur lullen voordat dat een beetje duidelijk is, en daar is iedereen gewoon te lui voor. Mijn collega Jochem Myjer heeft me trouwens op de vingers getikt over die aap en de neger. Hij belde Jan Jaap van der Wal om te zeggen dat hij die grap niet tof vond.”
Waarom belde hij Arends niet gewoon? “Jochem had mijn nummer niet. Bovendien was hij in de veronderstelling dat Jan Jaap als zakelijk leider van de Comedytrain mijn baas was.”
Tv-programma’s laten grote maatschappelijke problemen altijd dolgraag oplossen door cabaretiers en schrijvers. Zou er voor Arends niet een mooie rol zijn weggelegd als bruggenbouwende knuffelallochtoon? “Eh, ja, ik merk dat tv-mensen inderdaad denken: dat is een bruikbare jongen. Maar nee, om nou als clowntje aan zo’n tafel te gaan zitten... Want dat is feitelijk wat ze vragen. Kijk, ik ben nou eenmaal een beetje een cynisch persoon, en gezellige cabaretiers met een goed humeur, daar heb ik gewoon helemaal niks mee. Ik zie graag dat mensen met elkaar omgaan die elkaar mogen en begrijpen, en ik vind het prima als andere mensen elkaar totaal niet kunnen uitstaan, zéker als daar goeie redenen voor zijn.”
Waarna hij zijn levensfilosofie uitrolt. “Ik heb mijn eigen vierkante meter. Die heb ik precies zo ingericht als nu bij mij past. Dat maakt alles buiten die vierkante meter niet onbelangrijk, maar wel relatief. Ik ben er erg voor dat andere mensen dat ook doen. Dan wil ik weleens zien hoeveel er nog te zeiken valt. Al die discussies leiden nergens toe. Die praatcultuur is een cultuur van niks.”

Meningencultuur
Het voorgaande klinkt als een boodschap. Als iets dat hij ‘wil zeggen’. Dat was het verwijt van de recensenten die zijn laatste voorstelling De zachte heelmeester (na de zomer pakt Arends die draad weer op) bezochten: het was hun niet duidelijk geworden wat Arends ‘wil zeggen’. Want dat moet kennelijk, iets ‘zeggen’.
Dus, wat wil Arends zeggen? “Met die voorstelling? Nou, eigenlijk is het heel saai. Wat ik zonder het echt te zeggen wil zeggen is: om te kunnen functioneren, beschermen we het kwetsbare in onszelf. Ons gevoel. Dat zorgt er tegelijkertijd voor dat je niet meemaakt wat je mee moet maken. Dat je op een mooi moment je camera pakt, waardoor je de achterkant van je telefoon ziet en niet ‘in het moment zit’. Dat is eigenlijk alles.”
De recensenten vermoedden dat de Nederlandse meningencultuur het centrale thema van De zachte heelmeester is. Hoofdschuddend: “Nee, dat is een ónderwerp, geen thema. Alles wat ik over die meningencultuur zeg is dat ieders mening voortdurend onzuiver is, omdat je mening altijd synchroon loopt met je eigen belang. Bij mij ook. Als ik iets wil, bedenk ik daar argumenten bij. Zo win ik vaak discussies. Alleen, het gáát nooit ergens over. Als iemands mening tegengesteld is aan zijn eigen belang, dan pas durf ik die persoon echt te vertrouwen.”
Een recensent vroeg zich af waarom hij in zijn laatste show bamboestokken laat vallen. Vindt Arends het leuk om zijn publiek daar tevergeefs een betekenis achter te laten zoeken? Grijnzend: “Ik zoek zelf ook naar die betekenis. In het ergste geval heb je gewoon heel mooie bamboestokken en een heel mooie sfeer. Kijk, ik kan nu met het grootste gemak iets zeggen waarmee ik die vallende bamboestokken rechtvaardig, maar kom op, ik ga je toch niet als een kind bij de hand nemen? Het is 2013! Ik wil dat je abstract denkt. Maar dat weigert dus iedereen. Mensen zijn zo fantasieloos dat ze denken dat je alleen maar ‘iets zegt’ als je een maatschappelijk standpunt inneemt. Nou, absurdisme vertelt mij veel meer dan een opgeheven vingertje. Een sfeer creëren van: ik weet precies hoe het allemaal zit, is bovendien een technische fout. Je moet juist uitstralen: ik weet het allemaal ook niet. Theo Maassen doet dat bijvoorbeeld geweldig.”
Er volgt een afrondende verzuchting: “Ik overschat recensenten altijd. Ik denk altijd dat ze me doorhebben.”

Serieus
Gevraagd naar zijn favoriete cabaretiers noemt Arends Hans Teeuwen, Theo Maassen, Eric van Sauers en Wim Helsen. En, vooruit, ook Freek de Jonge, hoewel een vingertjesheffer ‘nog steeds de allerbeste’. “Een héél andere league dan Youp van ‘t Hek. Wel zie ik er altijd dagenlang tegenop om naar De Jonge toe te gaan. Maar ja, het moet.”
Jan Jaap van der Wal, de zakelijk leider van de Comedytrain, noemt hij niet. Op zijn hoede: “Ik voel me zeer met Jan Jaap verbonden. Als stand-upper vind ik hem onwaarschijnlijk grappig.”
Hij heeft Van der Wals geëngageerde nieuwjaarsconferences zeker ook niet gezien? Zowaar, een hoofdknik: “Ja, die heb ik gezien”. En wat vond hij ervan? Na secondenlang gestaar in zijn derde glas muntthee: “Ik denk dat we allemaal fases doormaken waarin we serieus genomen willen worden. Dat is heel makkelijk te verwarren met je wérk serieus nemen. Het zou kunnen dat dat gebied bij Jan Jaap een beetje schemert.”
In Michiel van Erps documentaire over de Comedytrain zagen we 'senior' Raoul Heertje tijdens een groepsevaluatie ongezouten kritiek leveren op een jongeling. Krijgt chef Van der Wal ook zulke stevige feedback? “Ehh, als je elkaar zo lang kent, weet je hoe die andere persoon gelukkig is. Kritiek is er voor degene die hem ontvangt, niet voor jezelf. Op een gegeven moment ontstaat de code: als iemand iets wil weten, vraagt hij daar zelf wel om.”
Kan Arends voorspellen hoe zijn eigen shows er over een jaar of tien uit zullen zien? “De afgelopen jaren heb ik geprobeerd een soort balans tussen agressie en tederheid te vinden. Die punten zullen verder uit elkaar gaan liggen, waardoor het vinden van de balans moeilijker wordt. Maar ik zal er ook beter in worden. Die truc heb ik afgekeken bij mijn helden Teeuwen en Maassen. Het is nu mijn tijd om daar een eigen draai aan te geven.”
Dan besluit hij licht geërgerd dat dit allemaal ‘wel erg formeel klinkt’. “Ik moet gewoon beter worden, dat is het eigenlijk.”

Hypocriet
Arends is gek op Indonesië, maar lijkt er in zijn werk veel minder door geobsedeerd dan mensen als Marion Bloem, Adriaan van Dis en Ernst Jansz. Logisch, zegt hij. “Ik bén al helemaal Indonesiër. Die halve of kwart-Indonesiërs blijven hun hele leven romantisch doen. Dat is er bij mij nu wel af. Ik heb er bij elkaar ongeveer een jaar gewoond. Het is de plek waar ik het beste uit de voeten kan. Ik kan daar gewoon zijn zoals ik ben – pas in lange gesprekken hoor je dat ik de taal niet echt beheers. Maar als je blank bent, zie je een totaal ander land dan de vrienden van me die daar wonen. Laten we wel wezen: in een t-shirt kom ik daar bepaalde winkels niet eens in.”
Zijn ‘enorme verbondenheid’ met Indonesië speelt pas op als hij daar is, het land ruikt. “Dat snuif je waarschijnlijk als baby al op. En ik hou van het harde leven daar. Wat natuurlijk heel hypocriet klinkt als je daar weer weg kunt. Want dat scheelt alles.”
Op welk maatschappelijk niveau bewegen zijn vrienden zich? “Velen van hen zaten destijds in hetzelfde kindertehuis als ik. Nu is het worstelen. Zijn ze afwasser of zo. Veel vriendinnen van me zijn prostituee. Meisjes uit het weeshuis, maar ook gewone vriendinnen. Er zijn ook prostituees die later vriendinnen van me werden. Zeker in mijn wat wildere tijd (Arends was een liefhebber van ecstacy en cocaïne - BG) trakteerde ik graag op hoeren. Jongens uit de laagste sociale klassen neuken gewoon te weinig, want het gaat in dat land allemaal om wat je een vrouw materieel kunt bieden. Dan vond ik het gezellig als ze een keer een veel te lekker wijf konden neuken.”
“Zelf heb ik ook moeten ontdekken hoe het is om met een Indonesische vrouw te neuken. Het schemergebied tussen ‘gewoon gezellig’ en prostitutie is in Indonesië veel groter dan hier. Ik ken vrouwen die echt high class callgirl zijn en ook vrouwen die gewoon een leuke tijd willen hebben en daar misschien iets voor vragen. En alles daartussenin.”
Hoe verhoudt zich dat met het moslimgeloof? “Prima! Zoals bij alle religies bestaat ook het moslim zijn in Indonesië voor 99 procent uit onzin. Je gelooft in God tot het punt waarop het je niet meer uitkomt. Op ieders paspoort staat daar je geloof. Dat is toch bizar? Ik maakte een Indonesische vriendin wijs dat in Nederland op je achttiende je kut wordt opgemeten en je kutmaat in je paspoort komt. En jawel, ze geloofde het! Zo gek zijn ze daar dus.”

Tag Line